Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
127. Onze goede onderwijzer {phuj, plagt, placht) altijd te
zegge()(): Overleg is het halve werk, kinderen! (Begin, begint)
dus niet te haastig.
128. De vorst verwoes(f)te daar vele steden en kasteelen;
hij plunder(</)de en verbran(£/)de kerken en kloosters, ja,
rich(*)te er in drie dagen zulk eene vernieling aan, dat men
op dertig mijlen afstand van de zee geene wo(o)ningen of
(mensen, menschen) meer {vont, vond, vondt).
129. Jantje en Pietje ginge()0 samen schaatsen(i'(;t/e()(),
reide{n)). Zij bon((/)de(/i) om tien uren aan en waren om
twaalf (M)ren al een kwartier gaans gevorder((?, t, dt). Dat
was knap! Vader (ging, gong) eens (kijken, keiken), waar
ze '{gebleven, gehleeven) waren; hij bon(f, d, dt) ook aan,
en binnen vijf minuten had(^) hij de kleine krabbelaars inge-
haal(^ dt, d).
»Jongens," {zei, zij) hij, »ik heb je permissie gege(e)ven om
heel ver weg te gaan ; maar ik {wis, v:ist) wel, dat ge {dicht,
digt) bij huis (blijven, bleiven) {zout, zoud, zoudt). Nu neem
ik je op sleeptouw. {Houd, Houdt) mijn ijshaak maar goed
vast. dan gaan we gauw samen naar huis; moeder wordt al
een weinigje ongerust. Leer(f) nu eerst op een sloo(c/, ?)je
goed vooruitko(o)me(»), dan gaan we later, als je je genoeg
geoefenW, t) heb((), een grooten tocht {doen, maken). Eerst
het gemakkelijke-goed, daarna het moeilijke.
130. Pietje strekte(/i) de hand uit naar de {peven, pee-
ven), bukte()i) er naar en nam er een op. Angstig (keek,
keekt) hij naar de tuindeur en {sliep, sloojj) er spoedig
buiten.
Nauwelijks {had, luit. hadt) hij een beet in de peer gedaan,
of hij meende()i). dat hij het van pijn besterve!^») zoude(_/i),
en {begon, begont) vree(-s)selijk te schreeuwel»). De beide an-