Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
124. Dat dit ongeluk eenmaal gebeu(/')ren zou, heeft de
baas u dikwijls (voorspeld, voorgespeld). Hij {zee, zei) het {nog,
noch) gisteren. Ja, nu het kalf verdronke(n) is, zal de put
gedemp(t;, t) worde(n).
125. »Ach, moeder, had(0 ik nu maar gel(t?, f)!" —
»Mijn kind, wat woud(i) ge danf' —
»Ja, 'k heb nog eenen gouden duit,
»Dien werp(«) ik {gauw, gaauw) het venster uit,
»Daar gaat een arme man."
»Wat zou dat {haten, haatten), jongenlief,
»Als de arme dien niet {vind, vindl)1
»Gij wierp(«) uw pe(n)ning wel op straat,
»Maar voor dien grijsaard zonder {baad, haal),
»De firme man is {hiind, hlinl).
»Wat zou dat {buten, 6««Ue/i),jongenlief,
»Uw aalmoes {deed, deedt) hem pijn;
»En zou, hoe wel uw har(c?, t) het {meent, »leend,
meen'),
»Wegkantlen((i, t) onder slijk en steen,
»Hem toch geen weldaad zijn."
vrouwe cilderduk.
12(i. De reizigers zagen die fraai(y)e eilanden alleen in de
zomermaanden. Een heldere he(e)mel spande(/i) er zich over
hen uit: in {lichte, ligte) bo(o)ten konde(H) zij zonder gevaar
zich op de groene golven late(») wiege(n), tei'wijl zachte
zomerkoeltjes het zeevlak {heweegden, bewogen) en de kruinen
der golven met {parelend, parelent) schuim tooide(H).