Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
106. Het zou mij bijzonder aangenaam \veze(n), als gij
eens ernstig met mijn vader over uwe belangen {spmkt,
spmakt).
107. Wat is beter gezegd: er {scheldt, schelt) of er {belt,
held) iemand bij ons aan?
Ik {geloof, geloove), dat het een zoo goed is als het
ander.
108. Men {wint, ivind, imndt) de kabels, {heischt, hijscht)
de {zeilen, zijlen), wacht het te(e)ken .. .. 't {Verschijnt, ver-
scheint). De lont {strijkt, streikt) {neer, neer), het knappen(<,t/)
krui(c/, t) {ontbrandt, ontbrand, ontbrant).
tollens.
109. Het speet mij erg, dat gij juist datgene {vergat, ver-
gaat), waar mij het meest aan gele(e)gen was.
110. Wat was het een groot geluk voor ons, dat onze
lieve kinderen zoo voordeelig (opwiessen, opwiesen, op-
wiezen).
111. Mijn trouwe vriend, die nu reeds vele jaren van mij
verwijderd (zijt, is), die mij telkens zoovele bewijzen van
uwe gehechtheid (gaf, gaaft) en dien ik zoo hartelijk [hoop,
hoopt) weder te zien, och, (schrijf, schrijft) mij toch, wanneer
dit gelukkig oogenblik kome(?i) zal.
112. Ik ben een kind, van God (bemind, bemint)
En tot geluk gesch(tt)pe(n). van alphen.
113. Wat (zetten, zetleden, zett'en) die jongens een leelijk
(gezicht, gezigt), toen zij daar zoo happig in de onrijpe appe(<)len
(beetten, beten).
114. Lieve Kaatje, (brrich, bericht), als 't u belief((),
per omgaande, of onze goede moeder ook erger (word,
wordt).
115. Ontvange(n) van den Heer Van Diepen de som van