Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
li»
De naarstigheid, die kinderdeug(d, t).
Wor(d, t, dt) altijd wel beloond {t, dt).
85. Reeds vroeg in den morgen {stont, stond, stond!) voor
hunne woning een wagen, met twee blinkende zwarte paarden
bespan(n)e(?i). De kinderen zoude(»i) uit (rijden, reiden) gaan.
Wat een pret zoude(n) zij (hebben, heben)! Nu, zij {hadden, ha-
den) het wel lang (gewenst, gewenscht).
86. Na lang en pijnlijk wachte(?i) (geschiede, geschiedde) wat
wij reeds lang (gevreest, gevreesd) hadden.
87. Laat alle dingen met orde (geschiede, geschieden, ge-
schiedde, geschiedden).
88. Gedul(c?, t) overwin((i', t, dl) alles.
89. De klok(/c)enmaker, die dagelijks de torenklok opwin((i, t,
dt), moet telkens een heel aantal trap(23)en op- en aS(klimme,
Mimen, klimmen).
90. Hij mocht toch nieman(J, t) om zijnen stand (verachten,
verachtten).
91. Het zou be(e)ter zijn, als ons vriendje zich (aanivende,
aanivendde) (om'i) 's morgens een be(e)tje vroeger op te
staan. Ik (moch, mocht), toen ik klein was, niet zoo lang
in bed (blijcen, bleicen), maar ik ging ook met de kippen
op stok.
92. (Verbeeld, verheelt) u, mijn vriend, als gij het u (ver-
heelden, verbeeldden) (kunt, kan), dat wij samen de reis eens
met een luchtbol, in plaats van met de trekschuit (deedden,
deden). Wat (zouw, zou) onze goede moeder vreem(d, /) staan
(Jtijken, keiken), als hare jongens daar uit het schuitje (kimme,
kwamen) stap(;j)en! En wat (zoude, zouden) de bu(t()ren groote
oogen (opzetten, opzette), als wij met ons groote voertuig voor
de deur stond(d)en!
9.3. Voor Hendrik en zijn vader ree(f/. t, dl) een wa(«')gen