Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
ül. De moeder was dan ook zeer trotsch op haren zoon;
hij was haar afgod, ja hij {werd, iverdt) door haar heelemaal
verwen(rf, t) en vertroetel((/, f). Had(/) hij gesnoep((/, t), iemand
geplaagld, t) of {bedrage, bedrogen)-, had(<) hij eenig boos opzet
nitgevoer(rf, t, dl), het kon zoo erg niet wezen, of moeder
{rondt, vond) liet aardig.
62. De bezorgdheid van de musch ging nu zoo ver, dat zij
op geen enkel korenveld meer een korreltje {dorst, durfde)
(pikken, jnken); want in elke aar meende(»i) zij een ruigen
kattepoot te zien. Ook (kende, konde) zij op geene andere wijze
den kost {zoeke, zoeken), want er was geene manier, waarvan
zij niet de grootste gevaren {duchte, duchtte).
63. Hij, die het weet, {antwoorde, antwoordde) ovibaschroora^
op mijne vragen.
64. Ik had(/) "immers wel gelijk, toen ik {zeide, zijde), dat
gij daareven niet {stond, stondt) te luisteren.
65. Een ouden boer (tt'as, ivaren) twee (koeijen, koeien)
{ontstole, ontstolen).
66. Geertje (wilde, wilden) iets {antwoordde, antwoorden),
toen hare oogen weder die van de juffrouw {ontmoetten, ont-
moeten) en het haar {xvierd werd), alsof zij hare tong niet in
bew(e)ging kon {krijgen, kreigen).
67. Uw vriend Piet heeft reeds eene menigte prachtige
vlinders {verzameld, verzamelt). Zijn broeder Hein {houd,
houdt) minder van natuurlijke historie en {verzameld, ver-
zamelt) de postzegels, die hij {magtig, machtig) worde(n)
(kan, kon).
68. »Neen," {barste, barstte) Willem in tranen uit, {terwijl,
dewijl) al de kinderen liepe(n) te stoe(y)en en te {lagchen,
lachen), »ik huil niet, omdat ik het hier niet mooi {vind, vindt,
vint), maar omdat mijn zusje ziek is,"