Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
hekend), en het gevolg was, dat hem de menschen niet meer
{geloofde, geloofden), ook dan niet, wanneer hij de waarheid
{•egde, zijde, zeide).
31. Mietje, {lich, licht) eens eventjes bij; ik heb iets late(n)
val(i)e(n) en {vindt, vind) het maar niet terug.
32. Vraagt gij, of ik langer zulke plagerijen {did, duit,
duld, duldt)1 Wel zeker! Ik doe, alsof ik er niets van {merk,
merkl), {verrich, verricht) stilletjes mijne dagelijksche bezig-
heden en {lag, lach) van tijd tot tijd eens hartelijk om al die
vruchtelooze moeite.
33. {Zuchtent, Zuchtend) zat de bedroefde moeder bij de wieg,
waarin het kind (kermend, kerment) neder-(?ei, lag).
34. Jongens, laat den kleinen Fidel nu wat ongestoor(ci, t)
in zijne {mand. mant) {leggen, liggen). {Berg, dat speel-
goed netjes op en {ga, gaal) die boeken en {leijen, leien) in
de kast {leggen, liggen).
35. Toen {werde, werden) de meeste vogels bang,
Ze schreeuwde(?i) moord en brand,
En {vluchten, vluchtten) naar allen kant.
goeverneur.
3C). Mijn hart, zoolang gij {klopen, kloppen) zult
En 't lieve licht {coell, meldt) {reizen, rijzen).
Moet gij, van liefde en dank {vervuld, ivrvult),
Den God uws levens {))reizen, prijzen).
ten kate.
37 De winter {had. hadt) de aarde van haar groen
klee(f, d, dt) {berooft, beroofd) en haar met een wit laken
{bedekt, bedekd).
38. Zou de Heer, die de bloemen {kleed, kleedt) en de
vogelen {voed, voedt), ons één oogenblik {vergeten, vergee-
ten)1