Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
vader, »gij {lieh, hobt) het geld zekerlijk gea(o)me(n). Uw hart
heeft het reeds door uw wezen en uwe geheele houding (hekend,
hekent, bekendt). {Zeg, Zegt) het maar."
»Ja, vader! ik heb het gen(o)me(n)," {antwoorden, antwoor-
de, antiüoordde) Willem, »maar ik ben daartoe {verlijd, verleit,
verleid, verlijt) geworde(n)."
»Als dat waar is," {zei, zij) de vader, -»{luister, luistert)
dun in het toekomende beter naar uw geweten, dat u nu
reeds zoozeer {bestrafd, bestraft), en laat dit de eerste
en de laatste maal zijn, dat gij u laat {verleiden, verlijden)
om kwaad te doen. {Mijd, Mijt, Mijdt) de {verleiders, ver-
lijders) !"
(iVa, naur) dit voorval {luisterde, luisterden) Willem {na,
naar) die les en {vermeed, vermeet) ze.
'29. Jan huilde(n) bit(<)er en boloofde(n) het nooit weder
te zul(Z)en doen, als hij dan maar mee {mögt, mocht) gaan.
»Neen!" {zeide, zeiden) de vader, »dit {zoude, zouden) het
kind, dat gij bedroge(n) (heb, hebt), opnieuw {lycdroeven, be-
droeve); gij moet thuis {blijven, hleiven), en of gij nu ook
al beterschap {beloofd, belooft) wat kan u dit (baten, haatten)!
Die in het eene zijn woor(d, t) niet {hout, houdt, houd),
{wort, word, xmrdt) ook in het andere niet (gelooft, geloofd).
Gij moet uwe beterschap eerst met daden to(o)ne(?i), eer ik u
gelo(o)ve(n) kan."
30. De ondeugende jongen (toogf, ioegf) dikwijls. Soms (maakte,
maakten) hij des avonds een jammerlijk geschreeuw op
de straat, alsof er een ongeluk {gebeurt, gebeurd) was, en
als dan de menschen {samen gevloeit, samengevloeid) wa-
ren, was liij woggelo(o)pen, scbuilde(n) in een hoekje en
{lachte, lachtte), dat hij hen (zo, zoo) bedro(o)ge(n) (liad,
hadt). Het (werd, wert, werdt) evenwel spoedig (hekent,