Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
21. De moeder was oadertu(s)schen bin(n)engekoiiie(?i).
Zij gaf de gestelde prijzen aan haar dochtertjes en {voegden,
voegde) er bij, zich tot de jongens (keerend, keerent): {leer,
leert) daar nu uit, dat gij malkander altgd verdrage(n) en
helpe(n) moet.
22. Ten laatste {nochtans, nogthans) gelukte het Kaatje,
de k\va(a)de gedachten, die men van haar iliadt, had), geheel
uit te {wischen, wisschen); en toen was er geen mensch, die
den achterklap en de babbelarij zoo {hate, haatte) en {schuwden,
schuwde) als zij, {dewijl, terwijl) zij er al de kwade gevolgen
zoo sterk van ondervonden {liad, heeft).
23. Waarom {wordt, word, wart) ik nu altijd het eerst {ge-
roepe, geroepen)1
24. Waarorri {wort, wordt, word) de (uecio, ver/")-stof door
den {huischilder, huisschilder) met lijnolie {gemeukt, gemengt,
gernenkd, gemengd)!
25. Maar gij, Lotje, die uw geld {gebruikd, gebruikt) {hebt,
heeft) tot dingen, die u lang van dienst (kunen, kunnen) zijn,
gij hebt den juisten mid(d)elweg tusschen de gierigheid en de
dwa(a)ze verspil(/l)ing gehouden. Gij hebt mijne wenschen
{vervuldt, vervult, vervuld).
26. Ondertusschen {kleede, kleedde, kleedden) de beide
jongens zich spoedig aan en verlangde(n), de een al harder
dan de ander, om met grootvader in het (mooie, mooije)
rijtuig te {ziten, zitten) en naar tante Jansje te {rijde,
rijden).
27. Eens (ontmoette, ontmoeten, ontmoete) de bedelaarster een
{welgekleet, welgekleed) heer te paard. Zij {toonden, toonde) hem
hare lompen en haar uitgehonger((i, t) gelaat, en {bat, badt,
bad) hem om eene kleine aalmoes.
28. D{IIoort, hoor), mijn kind!" {zijde, zeide) daarop de