Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11. Daar {loop, loopd, loopt) geen muisje
op 't land, of 't {heef, heeft)
Een moeder, die het {eten, eeten) {geef, geeft).
goeveuneur.
l'i. De kleine {Frans, frans) {heeft, heb) gezegd, dat ik zijn
boek {verloren, verhoren) {heeft, heb).
13. Die perzik {gaf, gaft) mijn {vaader, vader) mij.
Omdat ik vlijtig {leer, leert, leer')-.
Nu eet ik vergenoeg(d, t) en {blij, blei).
Die perzik {smaakt, smaakd) {na, naar) meer.
14. Het kleinste zelfs {versmaad, versmaadt, versmaat)
hij niet.
15. Mijn knip {had, haf, hadt) in een boom een uurtje pas
gehangen.
16. Daar gij nu als een braaf kind den {onzigtbaren, on-
zichtbaren) God {gevreesd, gevreest) {heb, hebt), zal ik u van
mijne beste vruchten {mededeéle, mededeelen). Hierop {ging,
gong) de man {naar, na) den pereboom, plukte(n) een hoed
vol van de beste {peren, peeren) af en {bragt, bracht) dien
aan Jan.
17. Willem nam het rozeboompje aan en {jylante, planten,
plantte) het in zijn tuintje.
18. In de lente {zoud, zout, zoudt) gij gemaakt hebbe(n),
dat wij {noch, nog) granen, (noch, nog) zomervruchten hadden
{gekregen, gekreegen).
19. Laat toch die diertjes (ligen, liggen). Zij {worden, worde)
niet gaarne zoo telkens opgeno(o)me(n) en de oude {maak, maakt)
er zich boos om.
20. Wij zate(h) {laast, laatst) bij Saartje,
Onze oude goede {baaker, haker).
van alpiien.