Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Deel: 1e vijftigtal
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1855
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 63
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205567
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
gekleed bij zijne ouders aankwam. De goede menschen
leefden nog en schreiden van blijdschap, dat zij hun-
nen zoon , na zoo vele doorgestane gevaren, nog be-
houden en gezond wederzagen. Hij bleef hier eenige
weken, en ging toen weder, welgekleed en uitgerust,
als matroos aan boord.
Zoo menig rampvol mensch is door bescheidenheid.
Ofschoon hij niets bezat, door 't gansche land geleid,
XLV.
WIEN DE SCHOENEN PASSEN, DIE KAN ZE AANTKEKKEK.
Richard, een hraafen verstandig onderwijzer der jeugd,
had meer dan vijftig leerlingen op zijne school, welke na-
genoeg allen zijne vaderlijke lessen en raadgevingen hoog-
schatten en opvolgden, uitgezonderd één knaap , die den
naam van Kasper droeg.
Be grootste ondeugd, icaaraan Kasper zich steeds hij
herhaling, niettegenstaande de dringende en gestrenge ver-
maningen des ondeneijzers, schuldig maakte, was het
vloeken, zweren, het mishnnken van Gods naam en het
bezigen van allerlei stopwoorden zonder zin of bedoeling.
Boor eenen langdurige en gemeenzame verkeering met eenen
slechten en gewetenloozen knecht had hij zich deze gewoonte
eigen gemaakt, hoofdzakelijk, omdat hij meende, dat dit
fraai stond, en thans deed hij het meer uit gewoonte dan
uit hoosaardigheid, meer uit achteloosheid dan met opzet.
Op zekeren tijd, dat meester Richard Kasper tusschen de
schooltijden had hooren vloeken en Gods naam misbruiken,
trad de onderwijzer in de school en zeide tot de hoogste
klasse, waartoe ook Kasper behoorde: „kinderen! gij
moet dezen namiddag allen eens een opstel over het vloeken,
zweren en misbruiken van Gods naam maken. Wat men
hierdoor verstaat, behoef ik u zeker niet te zeggen, dewijl
ik veronderstel, dat dit u allen hekend is. Ik wil echter