Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Deel: 1e vijftigtal
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1855
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 63
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205567
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
bidden en werken beide, en danken 'voor den zegen
op zijnen arbeid. Het aanhoudend werken ■viel hem
eerst wel moeijelijk; maar spoedig gewende hij er aan,
en thans -verdient hij met hoofd en handen reeds
zooveel, dat hij aan geen ding gebrek heeft.
Die nuttig vferit en hidt, ixl hrood van God ontvangen ;
Maar te vergeefs zal men dit zonder Kerk verlangen.
XXX.
MEN WORDT EERDER DOOR EENEN MESTWAGEN
OVERGEREDEN, DAN DOOR EENE KOETS.
Nikolaas deed met zijnen vader een reisje te voet, naar
eene zekere plaats, langs eenen hun onbekenden weg. Uit
vrees, dat zij zouden verdwalen , vroeg de vader eenen
jongeling, welke op dsn weg liep: „ zoudt gij ook weten,
waar wij het naast langs gaan kunnen naar het dorp P. ?"
Deze echter was een ruw en onbeschaamd mensch, en
zeide-. „indien gij den weg niet weet, dan moet gij te huis
blijventerwijl hij zijnen weg ging. De vader wandelde
ook voort, even als of hij deze lompheid niet gehoord had
of niet gevoelde. „Ik weet niet," zeide Nikolaas, „hoe
vader zulk eene lompheid onbeantwoord of ongestraft konde
laten." De vader antwoordde: „ ik zal u eens twee gei)al-
len verhalen van één' der wijsste en braafste menschen,
die er immer op aarde geleefd hebben, van Soerakes ,
namelijk. Toen deze eens met zijne leerlingen wandelde,
ontmoetten zij een lomp mensch, die scheldwoorden tegen
hen uitbraakte, nadat zij hem beleefd hadden gegroet.
„ Hoe kunt gij zulk eene lompheid gedoogen, waarde mees-
ter t" zeiden de leerlingen tot hem.. „Ergert het u ook,"
zeide de wijze man, „indien u iemand voorbij gaat,
die minder gekleed is dan gij? —■ Hoe kunt gij u dan
ergeren aan iemand, die minder verstand dan gij bezit?"
Op eenen anderen tijd, dat een onbeschaamd mensch zijne
■4*