Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Deel: 1e vijftigtal
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1855
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 63
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205567
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
u
gfiwend, bij Iiem in gunst tc komen. Den eersten
dag, dat bij zich op de school bevond, begon hij
reeds met eene lofspraak op den onderwijyer. »0,
meester!" zeide Leendert, »wat gevalt mij uw onder-
Avijs veel beter, dan dat van mijnen vorigen meesier.
Wat zijn de kinderen liier veel knapper, en nat leert
men hier oneindig meer, dan bij Iiem. Had ik van
den beginne af bij u mogen ter school gaan, o, wat
"ware dat een geluk voor mij geweest! Ik zal mijn
best doen, om mij uwe goedlieid waardig te maken,
en zoo veel mogelijk , de schade weder in te halen.
Ik zal alles doen , wat gij zegt, en laten , wat gij
verbiedt."
De verstandige meester, die nu wel al wist — zoo
als men zegt — welk vleesch hij in de kuip had ,
sprak hierop geen woord ; maar de kinderen luisterden
elkander in het oor: ))fiij smeert den meester maar
wat hom'g om den mond, en zagc^i den jongen vleijer
van ter zijde aan.
In het naar huis gaan bespotten de andere school-
kinderen hem reeds om zijne verrej^aande vleijerij, en
boden hem aan, om hem eenen nieuwen honigkwast
Ie koopen. Des anderen daags beval de meester aan
de verstgevorderde leerlingen, om^en schriftelijk op-
stel over de vleijerij te uïaken, waarin zij in de eerste
plaats moesten beschrijven : wat een vleijer ware; ten
tweede: zijnen aard en zijne handelingen cn ten derde :
ket laqe , verachtelijke , nadeelige, bedriegelijke en zon-
dige van de vleijerij.
Nadat de opstellen gereed waren, werden zij alle
voorgelezen ; de onderwijzer voegde hier nog zijne
aanmerkingen bij, en Leendert^ die zich hier zoo ten
toon gesteld zag, zonde van schaamte wel onder de
tafel gekropen hebben.
Daar hij nn duidelijk inzag, dat hij hier met zijnen
honigkwast niets konde uitvoeren , zoo liet hij zijne
fraaije woorden varen , en legde zicli meer toe op goede