Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Deel: 1e vijftigtal
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1855
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 63
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205567
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
wordt, „Die niet werkt, dat die ook niet etc," zeide
Paulus. Al wie een handwerk geleerd heeft, bezit een
kapitaal, en wie verstand heeft, een voor deelig ambt."
Als de avond begon te naderen, zeide Hans: „ zullen
wij nu niet uitscheiden ? Morgen is er immer weder een
dag." — „Kind," zeide de vader dan, „verschuif nim-
mer iets tot morgen , wat gij heden doen kunt; want gij
weet niet, wat u morgen kan verhinderen: een heden is
heter, dan twee morgens. Indien gij hij eenen goeden
heer woondet, zoudt gij u dan niet schamen, dat hij u
ledig aantroj? Schaamt gij u dan niet voor mij, schaam
u dan voor u zeiven, wanneer gij ledig zijt. Die werken
wil, vindt altijd hrood. De honger kijkt loel eens in het
huis des vlijtigen; maar binnentreden durft hij niet."
Ieder' oogenblik tcenschte Hans eene uitspanning te
hebben. „Och," zeide Hans dan, „mogen wij dan nim-
mer eenen vrolijken dag hebbenV' — De vader zeide dan:
„ de beste uitspanning is, als men iets nuttigs verrigt. De
vlijtige zal dezen tijd vinden; de trage nooit. Die de
vermaken vlieden, volgen zij, — en die hen najagen,
ontvlugten ze. De vlijtige spin heeft een groot net, — en
hem, die tot nut van zich zeiven en anderen leeft, wenscM
ieder goeden morgen!"
Al deze verstandige, vaderlijke lessen en raadgevingen
hadden op Hans geene uitwerking. Hij verliet het ouder-
lijke huis en besteedde zich bij eenen anderen haas. Maar
■ hier was het ook al arbeiden of honger lijden. Met
eenige wéken zocht hij weder eenen nieuwen meester op ,
en zoo ging het al voort,"tot hij wegens zijne luiheid zoo-
danig berucht was getvorden, dat niemand hem meer als
Icnecht wilde aannemen. Zijne luiheid ging zoo lang-
zaam , dat zij spoedig door de armoede ingehaald werd.
Hij verviel tot rondloopen, omzwerven en eindelijk tot
bedelen. Een veldivachter trof hem eens bedelende in een
dorp aan, nam hem mede naar het gemeentehiis, en