Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
76 DE LOFZANGEN.
Wie kon zijn begeerte temmen,
Zulk een zaligheid genoot.,
18. En dat ons het hart bekoord,
uit geniet men ongestoord.
Daar is eeuwig zegepralen,
Verre boven dood en hel
In de hooge hemelzalen.
Boven alle druk of kwel.
19. Eeuwig zullen buiten staan.
Eeuwig zullen zij vergaan.
Al die Jezus erf volk plagen;
Zalig volk dat na den dood,'
Vrij van treuren en van klagen.
Zulk een zaligheid genoot.
20. Daar geen heete zonnestraal
Op de hoofden nederdaal.
Noch geen gure onweersvlagen,
Eeuwig vrij van alle smart.
Eeuwig vrij van 's vijands plagen.
Die 'de stille ziel verward,
21. Al het zuchten en geween,
Al het kermen en gesteen.
Is dan eeuwig weggevlogen,
Jezus bruid en echte vrouw.
Alle tranen zal Hij droogen,
Is daar eeuwig vrij van rouw:
22. Zoet gezelschap dat te zaam
Gods geduchten grooten naam.
Eeuwig prijst met uw, gezangen
Met een hemelsch zoet geluid.
Wie zou daar niet naar-verlangen,
Galm des Heeren deugden uit
23 Als die talloos groote schaar
Eeuwiglijk zal met elkaar,
In het hemelhof verkeeren,