Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
74 DE LOFZANGEN.
6. De allerkostelijkste steen:
Jaspis, is er gansch gemeen.
Al wat 't oog maar kan aanschouwen,
Ja de poorten al te zaam.
Zijn uit parelen gehouwen
Tot den lof van 's Konings Naam.
7. 't Lage aardsche, zondig- stof,
Word veracht in 't Hemelhof,
Waarom hier in 't stof te wroeten?
Boven in nw vaderland,
Treedt men 't hemelgoud met voeten
En men wandelt 'hand aan hand.
8. Langs de straten van die stad,
En men wordt het nimmer zat,
O wat eindelooze vreugde!
Als Messias reine bruid.
In gansch onbevlekte deugden,
Leven zal eeuw in eeuw uit.
9. 't Zonnelicht de blanke maan.
Zal daar aan geen hemel staan,
Want die 'stad behoeft geen zonnen,
't Licht van 't liefelijk aanschijn.
Alles 't licht en levensbronnen,
Van 't Opperwezen zal daar zijn.
10 Ja geen oogen zouden thans,
Iets verdragen van dien glans,
•Van het schitt'ren van die stralen,
Van des hemels heerlijkheid,
In die hooge hemelzalen,
Met die pracht en majesteit,
11. 01 dat eeuwig hemellicht.
Dat daar straalt van 't aangezigt,
Van 't oneindig zalig Wezen;
Zalig volk dat na den dood.
Daar God eeuwig wordt geprezen,