Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
46 DE LOFZANGEN '
Mij zijns Borgs geregtigheid Mij enz.
9. En zijn geest te willen geven,
Om van mij te zijn gediend,
En alleen voor Hem te leven.
En niet meer des werelds vriend:
Hiermee was mijn ziel tevreden,
Alles was zoo als 't behoort,
En ik zei in eeuwigheden.
Mij geschiede naar uw Woord Mij enz,
10. O wat waren 't zoete tijden,
Jezus gaf ik hart en hand
'k Had met zonden niet te strijden -
'k Voelde 's Geestes onderpand;
Jezus schoot zijn liefdestralen.
Zoo gevoelig ia zijn ziel,
't Kwam als in mijn harte dalen,
Dat ik voor Hem nederviel. Dat énz.
11. Gansch verwonderd opgetogen,
Riep ik vol van liefde uit:
Heer wat heeft U toch bewogen,
.^lij te maken tot de bruid.
Van de schoonste aller menschen,
Eeuwig van mij waard geroemd,
'k Heb het einde van mijn wenschen
'kBen nu naar zijn naamgenoemdik Ben enz
12. Mögt ik Jezus nu behag-en,
En maar leven tot zijn eer,
Al mijn tijd en levensdagen
Jezus lief ik wensch niet meer,
Schenk mij daartoe steeds genaden,
Hier in dit benedenperk,
Tot ik mij eens zal verzaden.
In 't genot van 't hemelwerk In 't enz.