Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ISRAELS 13
5. Zoolang ik U nog missen moet,
Mijn ziel zal U aankleven.
Ik zoek U tot mijn eenig goed,
En in uw dood mijn leven.
Ik bied U dan voor eeuwig aau,
Mijn ziel met al haar schuld belaan.
Omringd met vloek ea zonden.
Zegt tot mijn ziel ik ben uw heil.
En doet mij schuilen vrij en veil,
Geloovig in uw wonde;!.
6. Ik ben mijn zondenschuld zoo moe,
En leef in duizend vreezen,
Ach wend ü nog eens naar mij toe.
En wilt mijn ziel genezen;
Ach dat ik in gemeenschap kwam,
Met uw verheerlijkt Offerlam,
O God van zaligheden,
O trek mij Goddelijke hand.
En scheuk mij 's "Geestes ondwpand.
Dan is mijn ziel tevreden.
7. De zonde drukt de liefde trekt
Ik kan niet langer rusten,
Tot dat Gij U aan mij ontdekt,
Ach dat mijn ziel Ü kuste,
Kom neem miju bart het komt U toe
Het is de vreemde heeren moe.
Wilt Gij er eeuwig wonen,
Verzoen mijn schuld en heilig mij,-
En maak mij van de zonden vrij.
Doe mij uw beeld vertoonen.
8. Hier lig ik neer en 't is mijn taal,.
Ik wil de uwe wezen.
Ja nu zoo veel als duizend maal,
Verlost miju ziel vau vree^en.
Ik reik U toe mijn hart en hand,
Ach kreeg ik 's Geestes ondferpand,