Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
40 DE LOFZANGEN '
Mija zonden veel en groot;
Hoe geefik dan geheel, Hoe geel ik dan geheel
Mij eeuwig aan mijn Jezus weer
Mijn Heiland en mijn deel
7. Daar oefent dan mijn stille geest,
Gansch onbevreesd. Wel allermeest,
Gemeenschap met Gods Zoon,
Mijn smart en zielsbegeer.
Mijn smart en zielsbegeer,
Die leg ik met vrijmoedigheid,
Geloovig voor Hem neer,
8. Met al mijn zonden schuld en nood.
Zoo veel en groot. Zoo gansch ontbloot.
Raak ik mij zalig -kwijt.
Mijn ziele leunt en rust. Mijn ziele leunt en rust
Op Jezus liefelijk alleen.
En werd van Hem gekust.
9. In 't eenzaam krijg ik dikwijls licht,
En zielsgezicht, En leer mijn pligt.
En hoe ik t' aller tijd,
In Jezus blijven moet, In Jezus blijven moet.
En leven maar op vrij gena.
Van zijn verworven goed.
10. Daar word ik wel eens ingeleid,
In d' eeuwigheid, Der heerlijkheid,
En in 't oneindig goed,
Dat mij te wagten staat,Dat mij te wagten staat
En hoe ik met Gods reine beeld,
Zal worden regt verzaad-
11. Wat is mij 't eenzaam zijn dan goed
Als "mijn gemoed. Dat hemelgoed,
Geniet het zalig licht,
Hoe is mijn hart verheugd,
Hoe is mijn hart verheugd
In 't zien dat ik geroepen ben,
Tot heerlijkheid en deugd.