Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
104 AANilANGSEL.
Ach! kon mij dan een vloed van tranea
Den weg tot uw genade banen, ,
Gij zijt vul goedertierenheid.
God spreekt
9. Ja zondaar! ik ben wel genadig,
Barmhartig en ook zeer weldadig,
En groot van goedertierenheid;
Maar zondaars houd Ik uiet onschuldig
En ik ben gansch'lijk niet geduldig.
Ten koste van geregtigheid. >
De Zondaar spreekt.
10. Dan ben ik eeuwig wis verlgren,
' Och was ik dan msar niet geboren.
God doet geen afstand van zijn regt;
Nu is het bij mij buiten hope, ■
Och waar zal ik nu heenen loojen,
Genade is mij nu ontzegd
God spreekt
11. Ja, ik heb een genadetroone.
Nu opgerigt in mijnen Zoone,
Ik heb Mijn Zoon tof borg bepaald;
Die heeft den vloek der wet gedragen
In Hem heb ik mijn welbehagen
In Hem genade zegepraalt
Ve Zondaar spreekt
12. Dit 's and're taal dan Uorebs donder
O goddelijk genade wonder!
Och is er ook voor öjij nog raad?
Vond ik met God ook nog eens vrede.
O hoorde 'God ook mijn gebeden
Och! Wierd veranderd mijnen staat
Jezus spreekt
13. Ja, zondaar 't wordt u aangeboden
Wij laten u zoo vriend'lijk nooden,
Kom vlugt maar tot mijn bloed en dood