Boekgegevens
Titel: Oplossingen der Verzameling van rekenkundige opgaven, ten dienste van gevorderde leerlingen en aankomende onderwijzers: in vier tweehonderdtallen
Auteur: Sluijters, Hendrik
Uitgave: Delft: J. de Rooy, 1842
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 681 F 1
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205472
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oplossingen der Verzameling van rekenkundige opgaven, ten dienste van gevorderde leerlingen en aankomende onderwijzers: in vier tweehonderdtallen
Vorige scan Volgende scanScanned page
TWEEDE HONDERDTAL. (103)
3
n'
/• 192 — /•1S2/t = fèd^j en — ƒ152 =
du.s bekomt de factoor van de winst vooruit 39 :
= Willen nu de koopman en de factoor de
winst gelijkelijk deelen , dan behoort de eerste 7 in te
leggen tegen de factoor -i Nu is
•4:7 = 270 rijksd. : 4721 rijksd. de twee zakken
af §00
blijft 172j rijksd. voorden anderen zak.
Vraagstuk XXIV.
Indien men de som van teller en noemer der onver-
kleinde bj-euk 680, door de som van telleren noemer
der verkleinde breuk 34 deelt, dan is het klaar, dat
het quotient 20 de grootste gemeene deeler is. De
noemers der breuken zijn dus tot elkander in reden
als 20 : 1 ; en bijgevolg 'iet verschil der noemers tot
(ien noemer der kleinste breuk als 20 — 1 of 19 tot 1.
Deelende derhalve het verschil der noemers, door 19,
dan hebben wij 25 voor den noemer der verkleinde
breuk. Deze van 34 afgetrokken, rest 9 voor den teller
der verkleinde breuk. Diensvolgens is de onverkleinde
breuk X IS = ni
Vraagstuk XXV.
Deelt men een getal door 4, dan is het quotient ^
van dit getal; vermenigvuldigt men dit zelfde getal
met 2, dan is het product gelijk aan tweemaal dit
getal ; en trekt men | van een getal van deszelfs twee-
voud af, dan isderest 1| maal dit getal. In ons geval is
dus2933 = 1| maal het gevraagde getal, dat alzoo 1676
is, zijnde het sterfjaar van den admiraal DE RUÏTER.
Vraagstuk XXVI.
Omdat 3 daalders juist 4| gulden zijn, zoo staat het
kapitaal van B het eerste jaar op gelijken interest, als