Boekgegevens
Titel: Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Auteur: Schifflin, Ph.; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Dordrecht: H. Lagerweij, 1855
2e verm. dr.
Opmerking: 1e stukje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 475 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205452
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 87 —
enfanls. Nous assistâmes le marchand de notre argent.
Pérille forgea un taureau d'airain; on y brûla Tifs ceux
que le tyran Phalaris condamnait à mort. Cet enfant est
trop vif pour être atlenlif. J'élevais les petits chiens, et
tu élevais les petits chais. L'eau coula. Nous cachâmes
votre chagrin à noire pére. Vous portâtes les livres dans
la chambre. Ils achetèrent le joli oiseau.
Deze kinderen zijn te levendig, om opmerkzaam te zijn.
Ik woonde het spel bij. Gij kocht eenen hond. Hij ver-
borg zijn verdriet voor aan) al zijne vrienden. Wij
vonden een weinig water en bragten dit water aan den
armen zieke. De kinderen verbranden het bock. Wie smeedde
eenen metalen slier? Ik zoek eenen schat; zij heeft den
grootsten schat, want hare kinderen zijn deugdzaam. Zij
verborg haar verdriet voor haren vader. Wij kweeken dat
hondje op. Ik stond dien man bij met geld. Ik stond
het kind bij in zijne ziekte. De regters veroordeelen den
schuldige ter dood. Gij hebt groote schatten, want gij hebt
goede boeken.
61. Que, wal? qui, wie; wien? à peine — que, naau-
welijks — of; après, na, naderhand; après que, nadal; le
royaume, het koningrijk; embrasser, omhelzen; blesser,
verwonden, kwetsen; laisser, laten, liggen laten; la ri-
chesse, de rijkdom; désirer, wenschen, verlangen; la pièce,
het stuk; la bourse, de beurs; renfermer, opsluiten, in-
houden; entrer, binnentreden; fort, zeer; comment, hoe?
Que cherchez-vous? Je cherche mon chapeau. Qui
cherchiez-vous? Je cherchais mon ami. Comment nommez-
vous cet homme? On le nomme Jean. Elle embrassa son
enfant. Ce chien cherche son maître. Cherchez-vous votre
domestique? Nous serons assez riches quand nous aurons
le nécessaire. Nous serons contents, sans désirer les ri-
chesses de nos voisins. La terre renfermera toujours beau-
coup de trésors. Le royaume de Belgique est plus grand
que celui de Hollande. A peine eûmes-nous proposé à
votre frère de déclarer qu'il était en bonne sanlé, que le
médecin entra avec ses amis. Vous eûtes à peine déclaré