Boekgegevens
Titel: Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Auteur: Schifflin, Ph.; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Dordrecht: H. Lagerweij, 1855
2e verm. dr.
Opmerking: 1e stukje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 475 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205452
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 50 —
Ces corbeaux sont noirs, et ces agneaux sont blancs.
Nous avons parlagé le pain avec ces enfants. J'ai vu ton
père, ses cheveux sont noirs; les raiens sont bruns, et les
tiens sont aussi bruns. Le roi a un beau château, il est
entré dans ce château; les châteaux de la reine sont grands.
J'ai vu aujourd'hui le roi; il a les cheveux bruns; j'ai vu
aussi la reine, elle a les cheveux blonds. Le chapelier fait
ces chapeaux pour mon frère. Mon père est venu sans
chapeau. Le chapelier a vendu ses chapeaux au frère de
mon ami. Les corbeaux ont mangé mon pain et le tien.
Nous avons vu les corbeaux sur les arbres du jardinier.
Ma brebis est blanche, mais mes agneaux sont noirs. Le
chapelier a partagé le vin et la bière avec la fille. Le
chapelier est très-grand, et la voisine est petite. Les chevaux
sont utiles. Notre voisin est triste, car il a perdu ses
agneaux et ses canards. Avez-vous trouvé un corbeau ou
un canard? Où est le canard? Où sont les corbeaux?
De haren mijns vaders zijn blond, maar de haren mij-
ner moeder zijn zwart. Ik heb gedeeld het brood met
mijn" broeder. De hoedenmaker heeft gemaakt de hoeden
voor den vader des tuiniers. De lammeren zijn zeer nuttig.
Het kasteel des konings is zeer groot en zeer schoon. Mijne
zuster heeft verloren hare lammeren, en ik heb de raven
des broeders gevonden. De hoed is zwart, en mijn lam is
wit. Mijn vader heeft zijn brood met zijne vrienden ge-
deeld, Waar zijn de zonen der hoedenmakers? Zij zijn
getreden in de huizen der buurlieden. De kasteelen der
koninginnen zij7i groot en fraai. Hebt gij eene raaf gevon-
den? De zonen des buurmans hebben de schapen des va-
ders gevonden,
27. Varbrisseau{m.)y de struik; Ie couteau, het mes; Ie cail-
lou, de keisteen; Ie coutelier, de messenmaker; Ie licou,
de halster; te marteau, de hamer; en, er van; Ie morceau,
het stuk; ne — pas, niet; Ie neveu, de neef; la nièce,
de nicht; Ie jeu, het spel; cherché, gezocht; habile, be-
kwaam; bien, zeer, wel, goed. (§. 15.)
L'enfant avait un couteau, il a perdu ce couteau.