Boekgegevens
Titel: Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Auteur: Schifflin, Ph.; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Dordrecht: H. Lagerweij, 1855
2e verm. dr.
Opmerking: 1e stukje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 475 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205452
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
ZIJD.
il, elle, on aura été, hij, zij, raen zal
nous aurons été, wij zullen ^ ..
,,, .. ^ u >eeweest ziin.
vous aurez ete, gij zult l® ^
ils, elles auront été, zij zullen j
Conditionnel.
Présent.
Je serais, ik zou
lu serais, gij zoudt
il, elle, on serait, hij, zij, men zou
nous serions, wij zouden
vous seriez, gij zoudt
ils, elles seraient, zij zouden
Passé.
J'aurais été ou j'eusse été, ik zou
tu aurais été ou tu eusses été, gij zoudt
il, elle, on aurait été ou il, elle, on eût été, hij, zij, men zoul ü
nous aurions été ou nous eussions été, wij zouden [ g
TOUS auriez été ou vous eussiez élé, gij zoudt l ^
ils, elles auraient été ou ils, elles eussent été, zij zouden J ^
Impératif.
Sois, wees.
soyons, laat ons zijn.
soyez, weest of zijt.
Subjonctif.
Présent.
Que je sois, dat ik zij.
que tu sois, dat gij zijt.
qu'il, qu'elle, qu'on soit, dat hij, zij, men zij.
que nous soyons, dat wij zijn.
que TOUS soyez, dat gij zijt.
qu'ils, qu'elles soient, dat zij zijn.
Imparfait.
Que je fusse, dat ik wäre,
que tu fusses, dat gij wäret,
qu'il, qu'elle, qu'on fiit, dat hij, zij, raen warc.
que nous fussions, dat wij waren,
que vous fussiez, dat gij wäret,
qu'ils, qu'elles fussent, dat zij waren.