Boekgegevens
Titel: Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Auteur: Schifflin, Ph.; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Dordrecht: H. Lagerweij, 1855
2e verm. dr.
Opmerking: 1e stukje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 475 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205452
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
Indicatif.
Présent.
Esl-ce que je ne perds pas, *) verlies ik niet?
ne perds-tu pas, verliest gij niet?
ne perd-il, elle, on pas, verliest hij, zij, men niet?
ne perdons-nous pas, verliezen wij niet?
ne perdez-vous pas, verliest gij niet?
ne perdent-ils, elles pas, verliezen zij niet?
Imparfait.
Ne perdais-jc pas, verloor ik niet?
ne perdais-tu pas, verloort gij niet?
ne perdait-il, elle, on pas, verloor hij, zij, men niel?
ne perdions-nous pas, verloren wij niet?
ne perdiez-vous pas, verloort gij niet?
ne perdaient-ils, elles pas, verloren zij niet.
Passé défini,
Ne perdis-je pas,^verloor ik niel?
ne perdis-lu pas, verloort gij niet?
ne perdit-il, elle, on pas, verloor hij, zij, men niel?
ne perdîmes-nous pas, verloren wij niel?
ne perdîtes-vous pas, verloort gij niet?
ne perdirent-ils, elles pas, verloren zij niel?
Passé indéfini,
N'ai-je pas perdu, heb ik
n'as-lu pas perdu, hebl gij
n'a-l-il, elle, on pas perdu, heeft hij, zij, men ( niet
n'avons-nous pas perdu, heldicn wij /verloren?
n'avez-vous pas perdu, hebl gij
n'onl-ils, elles pas perdu, hebben zij
*) Hel werkw. perdre, wordt in den eersten pers, enk. vin Hen
legenw. tijd der aant. wijs niet via^end gebruikt; men geeft dieu per-
soon eene andere wending, en zegt: eat-ce que je ne perds pas, (is
het dat ik niet Terlies)? Hetzeifde doel rnen niet nllu werkw., die in
dezen pers. éénldterj^repig zijn, en men zegt niet: vends-je, verkoop
ik? prtnds-je, neem ik? enz., jnaar est-ce que je vends^ est-ce que
je prends^
Enkele nitzooderiogen zijn er op dien regel, als: -^^i-je, heb ik?
suis-je, ben ik? dois-je, moet ik? vais-je y ga ik? puis-je, kan ik ^
vois-je f zie ïk? fais-jCf doe ik?