Boekgegevens
Titel: Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Auteur: Schifflin, Ph.; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Dordrecht: H. Lagerweij, 1855
2e verm. dr.
Opmerking: 1e stukje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 475 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205452
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 11 —
Pluriel, Meervoud,
1, de bons vins, goede wijnen,
de bons vins, van goede wijnen.
5. à de bons vins, aan goede wijnen.
4. de bons vins, gnede wijnen.
Evenzoo: de bonnes dentelles, goede kanlen, enz.
§. 60. Na de bijwoorden van hoeveelheid, aïs: veel,
• weinig, genoeg, evenveel, enz. slaat het zelfsl. naamw. (in
het llollandsch zonder Ji(h>oord) in den S^fQ naamval van
het deelende lidwoord: beaucoup de vin, veel wijn, assez
d^or, goud genoeg; maar: peu du vin, weinig van den
wijn (een' bepaalden wijn).
§. 61. Zelfsl. naamw., die de 5/o/'of den inhoud eener
zaak aanduiden, slaan in den naamv. van iiel deelende
lidwoord: une maison de hois, een houlen huis; un verre
d^eati, een glas waler. Na de woorden, die eene maat of
een gewigt aanduiden, staat eveneens de naamval van
het deelende lidwoord: tm litre d'huile, eene (ned.) kan
olie; tin kilogramme de beurre, een (ned.) pond boter.
VAN DE WERKWOORDEN (VERBES.)
§. 62, Wanneer men aan een werkwoord geregeld
alle vormen geeft, die het hebben kan, zegt men, dat men
dil werkwoord vervoegt, en deze bewerking noemt men
vervoeging (conjugaison, /*.)
§. 65. in de vervoeging moet men voornamelyk op
twee dingen lellen, nl. op:
a) de tijdvormen: ik vind, vond, zal vinden;
b) de voornaamwoorden: ik, gij, hij, zij, men, de
eerste, tweede en derde [tersoon enkelv.; wij, gij, zij, de
eerste, tweede en derde persoon meerv. Men noeml deze
voornaamwoorden 2)crsoonHjkc voornaamwoorden [pronoms
personnels, m.)
In plaals van den derden persoon kan allijd een zelfst,
naamw. staan, b. v. hij slaapt, do knaap slaapt; zij ko-
pen, de jongens loopen.
§. 64, De vorm van het werkw,, die noch een' tijd