Boekgegevens
Titel: Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Auteur: Schifflin, Ph.; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Dordrecht: H. Lagerweij, 1855
2e verm. dr.
Opmerking: 1e stukje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 475 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205452
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
hebben; il aurait, hij zoude hebben; nous aurions^ wij
zouden hebben; vous auriez^ gij zoudt hebben; ils auraient,
zij zouden hebben.
§. 21. J^aurais eu, ik zou gehad hebben; enz, (§. 20.)
§. 22. Que faie, dat ik hebbe; que tu aies, dat gij
hebbet; qtiHl ait, dal hij hebbe; que fious ayons, dat wij
hebben; que vous ayez, dat gij hebbet; quHls aient, dat
zij hebben.
§. 25. Que f eusse, dat ik hadde; que tu eusses, dat
gij haddet; quHl eût, dat hij hadde; que nous eussions,
dat wij hadden; que vous eussiez, dat gij haddel; quHls
eussent, dat zij hadden,
24, Que f aie eu, dat ik gehad hebbe; enz. (§.22.)
Que f eusse eu, dat ik gehad hadde; enz. (§. 23.)
25, Aie, heb; ayons, laat ons hebben; ayez, hebt.
II. Vormen van het werhw, être, zijn of wezen,
§, 26. Etre, zijn; étant, zijnde; été, geweest,
§. 27, Je suis, ik ben; tu es, gij zijl; il, elle, on
est, hij, zij, men is; nous sommes, wij zijn; vous êtes,
gij zijl; ils, elles sont, zij zijn.
§. 28. J^étais, ik was; tu étais, gij waart; il était,
hij was ; nous étions, wij waren ; vous étiez, gij waart ;
ils étaient, zij waren.
29. Je fus, ik was; tu fus, gij waart; il fut, hij
was; nous fûmes, wij waren; vous fûtes, gij waart; ils
furent, zij waren.
50, J^ai été, ik ben geweest; enz. (§. 14.)
J^avais été, ik was geweest; enz. (§. 15.)
J^eus été, ik was geweest; enz. (§. 16.)
§. 31. Je serai, ik zal zijn; tu seras, gij zult zijn;
il sera, hij zal zijn; nous serons, wij zullen zijn; vous
serez, gij zul( zijn; ils seront, zij zullen zijn.
§. 32. J^aurai été, ik zal geweest zijn; enz, (§. 18.)
§. 33, Je serais, ik zoude zijn; (userais, gij zoudt
zijn; il serait, hij zoude zijn; nous serions, wij zouden
zijn; vous seriez, gij zoudt xijn; ils seraient, zij zouden zijn.
§. 34. J'aurais été, ik zou geweest zijn; enz, (§. 20.)