Boekgegevens
Titel: Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Auteur: Schifflin, Ph.; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Dordrecht: H. Lagerweij, 1855
2e verm. dr.
Opmerking: 1e stukje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 475 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205452
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw leer- en vertaalboekje, ten gebruike bij het aanvankelijk onderwijs der Fransche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
— ö —
74, soixante-quatorze, 9î>,
75, soixanle-quinze, 96,
76, soixante-seize. 97,
77, soixanle-<lix-se|)t. 98,
78, soixanle-dix-huit. 99,
79, soixanle-ilix-neuf. 100,
80, quaire-vingis. 101,
81, qua!re-vingt-nn. 102,
82, qualro-viiigl-ileiix, enz. 200,
90, qiialre-vingl-dix. 20i,
91, qiialre-vinoi-onze. 20'2,
92, qualrc-nngl-doijze, 1000,
95, quatre-vin<>t-lri'ize. 2000,
94, quatre-vingt-quatorze. 1,000
*) In jnargeUilen mil: l'an mil huit ctnt
1854.
quatre-vingt-quinze,
quatre-vingt-seize,
(juatre-vingt-dix-sept.
qualre-vingt-dix-liuit.
quatre-vingt-dix-neuf,
cent.
cent un.
cent deux.
doux cent.
deux cent un.
deux cent deux.
mille
deux mille.
.000, un million.
cinquante-quatre y het jaar
D.
I. Vormen van het iver/cw. avoir, hebben.
§. 13. Avoir ^ hebben; ew, gehad; ayante hebbende.
§. 14. J^ai, ik heb; tu as y gij hebt; e7, on a,
hij, zij, men heeft; fwus avons, wij hebben; vous avez,
gij hebt; ils, elles ont, zij heliben,
§. 15. J^avais, ik had; tu avais^ gij hadl; (7,
on avait, hij, zij, men had; nous avions^ wij hadden; vous
aviez, gij hadl; ils^ cUes avaient, zij hadden,
§. 16. J'eus, ik had; tu eus, gij hadt; il eut, hij had;
710US eûmes, wij hadden, vous eûtes, gij hadl; ils eurent,
zij hadden.
§. 17. J'at eu, ik heb gehad; enz, (Zie 14.)
J^avais eu, ik had gehad; enz. (§. 15.)
J^eus eu, ik had geha<I; enz. (§. 16.)
§. 18. J'aurai, ik zal hei)l)t'n; tu auras, gij zult heb-
ben; il aura, hij zal hebl)en; nous aurons, wij zullen heb-
ben; vous aurez, gij zuil hebben; ils auront, zij zullen
hebben.
§. 19. J'aurai eu, ik zal gehad hebben; enz. (§. 18).
§. 20. J'aurais, ik zoude hebben; lu aurais, gij zoudt