Boekgegevens
Titel: Beknopt leerboek der scheikunde
Auteur: Roscoe, Henry E.; Schorlemmer, Carl; Menalda van Schouwenburg, H.J.
Uitgave: Dordrecht: P.K. Braat, 1869
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 E 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205425
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopt leerboek der scheikunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
koolstof.
59
Fig. 10.
elementen voorkomt, aan, door de uitdrukking allolropie, en zegt,
koolstof'bestaat in drie allotropisehe toestanden.
De diamant komt in kristallen voor, die tot het regelmatige stel-
sel behooren, en wier vormen van den
octaëder afgeleid kunnen worden (Pig.
19); in zuiveren toestand is de diamant
kleurloos, dikwijls is hij meer of minder
gekleurd. Men vindt den diamant in
de aangespoelde gronden van Oost-Indie,
Borneo cn Brazilië. Zijn soortelijk ge-
wigt bedraagt 3,3 — 3,5 ; verder bezit
de diamant een sterken glans, een groote
hardheid eu het sterkste lichtbrekend
vermogen, welke eigenschappen hem tot
den kostbaiirstcn der edelgesteenten ma-
ken. Wegens zijn hardheid gebj'uikt men
diamant om glas te snijden en op glas te schrijven. Op welke wijze
de diamant in de natuur gevormd werd, weten wij niet; in geen
geval kan dit bij een zeer hooge temperatuur plaats gehad hebben,
daar diamant bij sterke verhitting, onder afsluiting der lucht, in een
coakachtige massa vei-andert.
Graphk't, de tweede allotropisehe toestand, waarin dc koolstof
voorkomt, is eveneens gekristalliseerd, maar in een vorm, die van
den kristalvorm van den diamant geheel verschilt, en die tot een
ander kristalstelscl (het hexagonale) behoort. Ligchamen, die in
twee verschillende kristalstclsels krisalliseren, noemt men dhmrpli.
De kristallen van graphiet bestaan uit dunne, zeszijdige, graauwc
blaadjes ; gewooidijk vindt men het echter in vaste massa's ; in
groote hoeveelheid iti Siberië, verder in het noorden van Engeland
en op Ccylon. De* stukken potlood bijzitten metaalglans, zij zijn
zoo weck, dat zij afgeven, wanneer mtm er mede over papier strijkt,
en hebben een soortelijk gewigt van 2,15—3,85. Dikwijls bevatten
zij aardachtige inmengselen ; om het potlood te zuiveren, behandelt
men het met Kaliumchloraat en zwavelzuur, waardoor een verbin-
ding ontstaat, die bij verhitting sterk opzwelt cn ontleed wordt.
Uit het zuivere graphiet, dat men op die wijz(; ids een ligt, zeer los
poeder verkrijgt, kan men door sterke drukking vaste platen maken,
die men gebruikt voor de vervaardiging van potlooden. Verder
gebruikt tneti graphiet om ijzeren voorwerpen glimmend te maken
('n tegen roesteïi te beschutten, alsmede om buskruid te glanzen.
l.Jzer lost in gesmolten toestand koolstof op, en scheidt bij lang-
zame bekoeling een gedeelte daarvan in den vorm van graphiet we-
rler af.
De derde allotropisehe vorm der koolstof onderscheidt zieh van
de beide voorgaande, doordat zij niet gekristalliseerd, maar amorftli