Boekgegevens
Titel: Michiel Adriaansz. de Ruiter: een leesboek voor scholen, in dertig lessen
Auteur: Altmann, H.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1842
2e dr; Oorspr. uitg.: 1839
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 314 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205372
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Europa
Trefwoord: Ruyter, Michiel Adriaensz de, 1600-1700, Admiraals, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Michiel Adriaansz. de Ruiter: een leesboek voor scholen, in dertig lessen
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 20 )
af te leggen. IIIJ rerliet nu met zijn huisgezin Fus-
singen , en begaf zich ter woon naar Amsterdam,
waar hij , gedurende zijn volgend leven, zijn verblijf
hield. Als gij te Amsterdam, zijt, mijne jeugdige
vrienden ! wandelt dan eens de IJgrachl langs , en het
borstbeeld van den held, in den gevel van een aan-
zienlijk huis, zal u de woning aanwijzen, waar de voor-
treffelijke man van zijne moeijelijke en gevaarvolle tog-
ten zich terpoosde , en in den schoot van zijn gezin
nieuwe krachten tot nieuwe heldendaden verzamelde.
In het begin van Junij 1654 werd de vrede met En-
geland gesloten, en de pas benoemde Vice-Admiraal
werd met vijf oorlogschepen naar de Middellandsche
zee gezonden , om onze koopvaardijschepen tegen de
Afrikaansche zeeroovers te beschermen. Niet te vergeefs
zond men hem derwaarts; met ijver en moed behar-
tigde hij ook daar de belangen des vaderlands. Spoedig
werd zijn' naam alleen verschrikkelijk voor hen, die do
schrik der Middellandsche zee waren. Hij wist hun op
eene gevoelige wijze ontzag in te boezemen , veroverde
menig roofschip, en vele Christenen hadden hunne be-
Trijding uit eene harde slavernij aan hem te danken.
heering. Een nederig tiiensch aclit zich zeiven dikwijls onhe-
kwaatii tot eene lioogere roeping; de hoogmoedige
en eigendunkelijke daarentegen meent, dal Jiij voor
alles geschikt is.
TWAALFDE LES.
Djs HciTEii afgezonden iegm de Fransche kapers.
In het jaar 1656 kwamen er vele klagten in , dat
Fransche kapers onze koopvaardijschepen aanhielden en
uitplunderden. De Staten hadden zich hierover bij de
Fransche regering beklaagd , met het verzeek, dat men
deze rooverijen zoude doen ophouden en de schuldigen
straffen; doch daar dit verzoek zonder gevolg bleef,
besloot men zich zelven regt te verschaffen. Db bciter
werd daarop afgezonden om onze koopvaardijschepen te-
gen deze gewelddadigheden te beschermen. Ook van dezen
l^st kweet hij zich voortreffelijk, en maakte zich spoe-
dig