Boekgegevens
Titel: Oplossingen der vraagstukken, uit het eerste stukje van de Beginselen der meetkunde, van J.C.J. Kempees
Auteur: Stamkart, Johannes Adrianus; Heije, B.; Kempees, J.C.J.
Uitgave: Amsterdam: Weijtingh & Brave, 1860
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 669 H 18
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205366
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oplossingen der vraagstukken, uit het eerste stukje van de Beginselen der meetkunde, van J.C.J. Kempees
Vorige scan Volgende scanScanned page
Tig. 220.
102
VllAAfiSTUK 257.
Stel (Fig. 220) AB = Zx en BC = 7.r,
dan is:
I = AB X BC = 21J:' = 1,
waaruit volgt x — '/jjK21
dus AB rz: 3» = VtJ/SI
BC = 7a; = VsI/21.
Nu is verder
-3 —2
AC = 2CM = j/(AB + BC) = '/^^yWiS
en CM = V» 11^1218 palm.
Vraagstuk 258.
Fig. 221.
Stel (Fig. 221) AC = 2r, dan is de
omtrek des cirkels 2ra- en de basis AD
van den regthoek ^l^rrc, waaruit volgt:
AB = j/(AC — BC) = y(4r* — Vs'-*'«-^)
dus is de inboud des regthoeks
I=:AB XBC = - X rV(36
J
en eindelijk heeft men:
1 = 'A'Kse -

Vraagstuk 259.
Fig. 222.
Laat (Fig. 222) M, N, O,
P, enz., de zijden voorstellen
der vierkanten, wier som men
vraagt te construeeren. Neem
dan op de beenen van eenen
regten hoek CAB, AB = M.
AC = N en trek BC, dan is
--2 -2 -2
BC = AB + AC = M« + N».