Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
zij dc luclit kouder, iu het bijzonder, wanneer ze hoog ge-
noeg zijn , eeuwigen sneeuw te dragen. Dc sneeuwlijn, die
in de heete zone ter hoogte van 1-4,700 v. eenen aanvang
neemt, zich naar de polen toe steeds meer en meer verdiept,
onder .43° B. op 8,S00 v. hoogte begint, en eindelijk, naar
de polen toe, tot de zeevlakte nederdaalt, heelt op de gren-
zen der heete zone nog eene hoogte van li,100 v., op de
Pyreneën van 9,600 v., op de Zwitsersche en Duitsche Alpen
van 8,400 tot 9,600 v. , en op IJsland van slechts 2,892 v.,
terwijl iii de diepe dalen en kloven , waarheen de zon niet
dringen kan , sneeuw en ijs nooit geheel smelten. De wind,
die van de sneeuwbergen komt , is gevoelig koud. Daaren-
tegen kannen valleijen naast en tusschen zuike bergen, wan-
neer zij voor de zon en de warme winden open liggen, somtijds
zeer heet zijn, zoo als het Velilin, aan den voet der Alpen.
Meestal komt het veel aan op de ligging en de rigting der
gebergten. "Wanneer deze het land in het noordelijk half-
rond aan de noordewinden prijs geven , en aan de zuidevvin-
den den toegang ontzeggen, dan neemt hetzelve eenen hoo-
gen graad van koude aan, zoo als b. v. het zeer koude Si-
berië. In het zuidelijk halfrond heeft het omgekeerde j)laats.
Hooge gebergten geven dikwijls aan naburige landen een te-
genovergesteld weder, doordien zij de winden en de wolken
tegenhouden. Zoo is het op de kusten van Koromandel en
Midabar, op de oostelijke en westelijke kust van Sumatra en
van Ceilon, en op de oostelijke en westelijke Malediven ge-
steld , daar zij door hooge gebergten , die van het Noorden
naar het Zuiden loopen , gescheiden zijn.
§ 76.
Invloed der groote bosschen en van den aanbouw
der landen.
Groote wouden maken het klimaat ruwer, omdat zij ijs en
sneeuw langer beherbergen, en de zonnestralen verslinden,
terwijl daarentegen , door het uitroeijen derzelve en den aan-
bouw des lands, het klimaat zachter en milder wordt. Cae-
sars Germanie en Gallie kent men niet meer, en in Noord-