Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
71
§ 65.
Snelheid, sterkte en rigting der winden.
De snelheid van den wind is zeer verschillend : zij stijgt
van S tot 130 voeten in eene seconde ^ en met de snelheid
deszelfs sterkte, die zich , door verscheiden graden , van eene
zachte koelte tot eenen hoogen storm verheft, terwijl hij
eindelijk, als vernielende storm, de vrccsselijkste, ofschoon
zelden zeer wijd verbreide, uitwerkselen te weeg brengt.
De rigting van den wind is of horizontaal (waterpas) of min
of meer naderende tot het loodregte. In de boogere oorden
van den dampkring waaijen dikwijls , vooral bij stormen,
andere winden, dan nabij de oppervlakte der aarde. In h""-
algemeen verheffen dezelve zicii juist niet altijd zeer hoog,
en worden deswege dikwijls door hooge bergen opgehouden,
of in haren loop veranderd. De winden worden bepaald en
benaamd naar de hemelstreken , uit welke zij tot ons komen.
Een snel en kringvormig draaijcn der lucht heet een wer-
velwind.
§ 66-
Onderscheidingen der winden.
Ten opzigte van den tijd, gedurende welken zij waaijen ,
worden de winden onderscheiden in regelmatige en onregel-
matige of veranderlijke, en de regelmatige weder in besten-
dige en periodieke winden.
§ 67.
Passaatwi nden.
Tot de bestendige behooren , in de eerste ]iiaats, de pas-
saatwinden , die tusschen de keerkringen , op zee, voortdu-
rend uit hel oosten waaijen. In de heete zone namelijk
heerscbt een bestendige oostewind , die echter in het noor-
delijk halfrond meer noordoostelijk, en in het zuidelijk half-
rond meer zuidoostelijk is, terwijl dezelve in het eene half-
rond meer tot het oosten nadert, naarmate zich de zon in
het andere halfrond verder van den evenaar verwijdert.