Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
70

111»
'I
igv.t
§ 68.
Zwaarte , Heerkracht, digtheid en warmtegraad van de lucht.
Daar de hoogere lucht door hare zwaarte op de lagere
drukt, wordt deze, bij hare veerkracht, door de eerste te
zamen gedrukt, is daardoor digter, dan de bovenste, en dus
in de nabijheid van de oppervlakte der aarde het d-igtste, en
tevens het warmste, terwijl zij regelmatig met de toenemende
hoogte steeds dunner, ligter en kouder wordt; ofschoon het
nog niet is uitgemaakt, naar welke wet de warmte in de
lucht steeds met de hoogte afneemt. Door de warmte wordt
de lucht uitgezet en ligter, door de koude zamengetrokken
en zwaarder; evenwel kunnen ook nog andere oorzaken op
hare zwaarte invloed hebben. Insgelijks is do graad van de
veerkracht der lucht niet altijd gelijk, waardoor ook de druk-,
king, welke zij uitoefent, veranderlijk is. Om de sterkte
derzelve te meten en hare veranderlijkheid waar te nemen,
bedient men zich van den luchtweger of barometer.
Daar de drukking der lucht in eene bepaalde, ons bekende en steeds
gelijke verhouding met de toenemende hoogte afneemt, gronden zich
hierop de hoogtemetingen door middel van den barometer.
Over de sneeuwlijn hebben wij boven reeds gesproken.
§ 64.
Winden. ,
De lucht, als een vloeibaar ligchaam, tracht , gelijk het
water, steeds in evenwigt te staan. Wordt dat evenwigt
door de eene of andere oorzaak opgeheven , dan poogt het-
zelve zich te herstellen. Daardoor ontstaan menigerhande
bewegingen en stroomingen in den dampkring, welke men
in het algemeen met den naam van wind bestempelt. De
sterkte, rigting en verdere gesteldheid der winden hangen
af van de mate, in welke, en het oord, waar het evenwigt
opgeheven is, alsmede van destreken, uit welke dezelve
voortkomen, of over welke zij heenstrijken. Van hier zijn
de winden koud , warm , heet, vochtig , droog , gezond of
ongezond, zacht, sterk, hevig, enz.
m