Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
If
§ S8.
Smaak van het meerwater.
De meren hebben meestal zoet, eenige, en wel zeer aan-
zienlijlte, eehter ook zont water. De oudste oorsprong van
eenige zoute meren schrijft men aan het terugtreden der zee
van het vastland toe.
Het zuidwestelijke Siberie heeft eene groote menigte zoute meren.
Het Inderskoimeer^ in de Kirgisische steppe, is tusschenbeiden met
eene korst van zout bedekt, op welke men, even als op Ijs, gaan
kan. — De Doode zee in Palestina , aldus genoemd , omdat aan hare
oevers geene groene plant, op haar geen watervogel , in haar geen
viscli of schelpdier kan leven , heeft zeer zout wa!er , en zelfs zouter ,
dan eenige andere zee op aarde , ja zoo zout, dal zuiver zout, er in
geworpen , zich niet oplost. Duikers komen uit hetzelve met eene
korst van zout bedekt weder te voorschijn. Aan den oostelijken oever
vindt men dikke zoutschotsen. Deze sterke zoutgehalte verligt het
zwemmen op hetzelve grootelijks. Zware stukken asphalt of jodenlijm
drigven op dat meer. — Do Kaspische zee, het grootste meer op
aarde , heefl ook zout water , ofschoon hetzelve niet zeer sterk met
zout bezwangerd is.
§ 59.
Kleur en temperatuur van het meerwater.
De kleur van het meerwater hangt van deszelfs bestand-
deelen af; de eigenaardige kleur is meestal schoon groen.
Deszelfs temperatuur is hooger, dan die van bron- of rivier-
water, en wel aan de oppervlakte hooger, dan in de diepte,
terwijl zij daar ongeveer met de lucht overeenkomt.
In
II
I:
IV.
yat! den dampkring.
§ 60.
Begrip en bestanddeelen.
De aarde is rondom met lucht, eene veerkrachtige en