Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
63
of geringeren toevloed des waters, naar evenredigheid van
de ongelijke wijdte der bedding.
In eene omgekeerde rede hangt wederom van de breedte,
diepte en snelheid eener rivier de massa water af: welke de-
zelve voortstuwt. Men berekent deze aldus: Men meet de
breedte eener rivier, b. v. van 100 v., en tevens door naauw-
keurig peilen hare diepte , b. v. middelbaar van 50 v. Ban
bedraagt de dwarse doorsnede der rivier 100 X 50 of 5000
v. v. Men neemt vervolgens waar, hoe ver een houten (met
water gevulde) bal b. v. in eene minuut op den stroom voort-
drijft. Wanneer men 10 v. vond, zoude hieruit volgen,
dat in den tijd van eene minuut 10 X 5000 v. v. , dat is,
50,000 kub. voet water b. v. uit de rivier in de zee stroo-
men. Zoo berekende men, dat de Po, binnen 26 dagen,
1 kub. mijl water in de zee brengt, en de Donau , in een
uur, 2520 mill. kub. vpet.
De Rijn Iieeft, van Schaf liaiisen tot aan Straatsburg, 778 v. verva!,
dat is, 4 v. op de mijl, en van Straatsburg lot aan Dordrecht, eene
veel grootere uitgestrektheid, insgelijks 778 voeten. De Werwede,
beneden Dordrecht, heeft op 9000 v. lengte slechts 1 daim verval.
De bepaling van het geval noemt men walerwegen of nivelleren , waar-
toe men zich van zeker instrument bedient, naar zijnen aard, water-
waag geheelen.
§ 31-
Boven- , middel- en benedenstroomloop.
De loop van alle groote rivieren der aarde onderscheidt
zich in drie hoofdvormen, welke zich, van de hoogte naar
de diepte, allengskens ontwikkelen, en door de benamingen
van boven- , midden- en benedenstroomloop worden aange-
duid. De bovenstroomloop begint met de bronnen gewoon-
lijk in het hooggebergte , van hetwelk de jonge stroom zich
bruisend nederstort, van waar in de gebergten de eigenaar-
dige benamingen van gietbeken, stortbeken, wildheken, enz,
(Giessbiiehe, Sturzbache, Wildbache, Achen , Torrents, Ga-
ven, Elben). Waar zij het hooggebergte verlaten, vormen
zij dus watervallen of katarakten, het hoofdkentceken van