Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
i)
I
dc met dezelve , in hare geheele uitgestrektheid, min of
meer evenwijdig gelegene beddingen der rivieren ; evenwel
loopen zij deswege nog niet noodwendig langs bergruggen ,
maar worden dikwijls sleebts door onbeduidende verheffingen
van den bodem gevormd , welke boven het vlakke land eene
zoo geringe hoogte hebben , dat zij voor het oog niet eens
als zoodanig bemerkbaar ï.ijn. Het is van daar zeer bedrie-
gelijk , van het aanzijn der waterscheiding tot het aanwezig
zijn van gebergten te besluiten, of omgekeerd aan te nemen,
dat ieder gebergte noodzakelijk eene hoofdwaterscheiding
moet vormen, eene dwaling, welke daardoor gevoed wordt,
dat op vele kaarten bloote waterscheidingen , grondverhef-
fingen of ruggen, niet van werkelijke gebergten en berg-
ketens onderscheiden zijn.
§ 30.
Grootte , lengte , snelheid , watermassa.
In den regel nemen rivieren in grootte steeds meer toe,
hoe verder zij zich van hunnen oorsprong verwijderen, ter-
wijl zich bij aanhoudenheid meer wateren in dezelve uitstor-
ten. üe lengte der rivieren wordt bepaald , of naar de lengte
eener regte lijn, welke men , van den oorsprong of de bron
coner rivier, naar deszelfs mond trekt, of zoo, dat men de
krommingen of bogten der rivier mede in berekening brengt.
Wanneer dus opgegeven is : de Weichsel = 70 m. UO m. S500
v. m., dan beteekent zulks: de afstand tusschen den oor-
sprong en den mond van den Weichsel, in eene regte lijn , be-
draagt 70 mijlen ; de lengte van den loop des Weichsels,
alle deszelfs wendingen medegerek end, 140 mijlen; hetstroom-
gebied van denzelven §300 v. m. Do snelheid der rivieren,
dat is, de spoed, waarmede bare wateren voortstroomen , is
niet alleen bij onderscheiden rivieren, maar ook bij ééne en
dezelfde , op bijzondere plaatsen , zeer verschillende, en
hangt af, deels van de meerdere of mindere helling of nei-
ging der bedding, welke, gezien op den spiegel van de op-
pervlakte des waters, val, of ook wel geval of verval ge-
genoemd wordt, dcel.s van de hoeveelheid , of den grooteven
f.'l