Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
selijk de rivieren , of die stroomen zoet en drinkbaar water,
welke meestal in de bergen ontspringen, van de hoogere
naar de lagere streken nedervlieten , door deze heenvloeijen,
en zich eindelijk in zee ontlasten.
De rivieren nemen gewoonlijk haren oorsprong uit bron-
nen , welke, zoo als gezegd is , meestal in bergachtige stre-
ken , op eene ons nog onbekende wijze, uit het binnenste
van de aarde ontspringen, en of bij tusschenpoozingen, of
steeds aanhoudend voortvlieten, terwijl dezelve zeer sterk
door regen, dauw, en vooral door gesmolten sneeuw en
ijs , hetwelk van de toppen der bergen nedervloeit, gevoed
worden. Het water van naburige bronnen , naar de wet der
zwaarte , meestal door dalen of valleijen , naar de lagere stre-
ken heenspoedende, moet zich noodzakelijk weldra vereeni-
gen en grootere stroomende wateren vormen, welke eerst
als beken , en , wanneer meerdere van deze zamengevloeid
zijn, als rivieren of stroomen zich gedurig vergrootende,
met weinige uitzonderingen, zich door hunne monden of
mondingen in de zee ontlasten. De bedding, in welke wij
ze thans alle zich zien voortspoeden , is ongetwijfeld te vo-
ren door het water zelve uitgehold geworden.
§ 49.
Hoofdstroom , bijstroomen , regter en linker oever, stroom-
gebied , waterscheiding.
Alle wateren, die cener rivier toestroomen, heeten ne-
ven- of bijstroomen; die ze opneemt, de hoofdrivier of hoofd-
stroom. De oevers eener rivier onderscheidt men in regter
en linkeroever, welke uitgevvezen worden, wanneer men
stroomafwaarts met het, gezigt naar den mond der rivier
gekeerd is. De geheele uitgestrektheid lands , welke eener
rivier water t'/ezendt, heet derzelver stroomgebied, hetwelk
soms vele 1000 vierk. m. bevat. De grenzen tusschen na-
burige stroomgebieden worden waterscheidingen genoemd,
van welke de wateren , in tegenovergestelde rigtingen , naar
onderscheidene zijden en langs verschillende afhellingen voort-
vlieten. De waterscheidingen liggen dus steeds hooger, dan