Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
waterstand ten tijde der ebbe cn vloed is in verschillende
streiten zeer onderscheiden, van B tot 3 v. en daarboven ;
even zoo de aanvang en de duur van het stijgen of het val-
len. Beslotene zeeën hebben dikwijls in het geheel geene ,
of althans slechts onbeduidende ebbe en vloed.
Zes uren lang stijgt dus het water , staat dan ongeveer gedurende
een vierde uur op dezelfde hoogte , valt weder zes uren lang , en ,
na eenen tweeden stilstand van een half uur , begint het op nieuw
weder te kliuimen. Dit klimmen en vallen is aan de kuslen een toe-
en afloop van het waler. Het heeft natuurlijk op de geheele zee ,
ten zelfden lijde , op dezelfde wijze plaats , maar op dien tijd, dat het
aan de eene of andere kust de hoogste vloed is , vertoont zich aan
die kusten , welke op 90" L. , zoowel ten oosten , als ten westen ,
van dezelve gelegen zijn , juist de die^jste stand der ebbe , en nog 90"
L. verder, of 180" van de eersle kust , is het weder hoogste vloed.
Dat deze merkwaardige regelmatige beweging der zee in 't bijzonder
door de aantrekkingskracht der maan bewerkt wordt, is thans volko-
komen bewezen. In de heete zone, waar zij het sterkste cn regel-
maligsle is , staat het water steeds het hoogste drie uren , nadat dc
maan door den meridiaan gegaan is. Den volgenden tlag komt de
vloed ongeveer 50 minuien later , dewijl de maan dan ook zooveel
later door den meridiaan gaat, en zoo volgt de vloed , even als de
hoogste stand der maan , steeds later , loi dat, na ongeveer 30 dagen,
alles weder in de vorige orde is terug gekeerd , en de periode van
nieuws aanvangt. In de meer zuidelijk en noordelijk gelegene zeeën
heeft de vloed , naar evenredigheid , later plaats. Dezelve dringt ook
in dc rivieren , tot zoo verre , dat hare bedding met de hoogte van
den vloed gelijk is (b. v. in de Elbe 20 mijlen ver , waarheen dezelve
echter vijf of zes uren )aler komt, dan in den mond der rivier). De
hoogte van den vloed is zoo verschillende , dat op eenige plaatsen het
waler slechls weinige , op andere daarentegen 40 lot 60 voeten stijgt.
In de Middellandsche zee is de ebbe en vloed gering , in de Oostzee
heeft dezelve in het geheel geen plaats, band en wind brengen aan-
merkelijke veranderingen in den tijd , de sterkte en de rigting der vloeden
te weeg.
Wat verslaat men door springvloed en waardoor wordt dezelve ver-
oorzaakt ?