Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
0/
§
Branding,
Door geweldige opstapeling en breking der golven tegen
steile, rotsachtige kusten ontstaat de branding, reeds in de
verte kenbaar aan het witte schuim, hetwelk, door het ver-
stuiven van het water te weeg gebragt, de zee bruisend
bedekt.
De branding ontstaat eigenlijk, doordien zeven tot tien golven zoo
op elkander volgen, dat de tweede over de eerste , en eindelijk de
tiende over de negende slaat, en alle tien eerst te zamen , als oene
massa water, van de kust terug stroomen. Van daar de benaming
der branding bij de Romeinen: fluctus decumani. De brandingen
klimmen soms lot 20, ja zelfs tol 50 v. hoogte. Hevige branding maakt
dikwijls het naderen der kusten moeijelijk, of wel onmogelijk, en
schepen, die door den storm in dezelve gedreven worden , moeten
veelal vergaan , terwijl zij soms geheel omgekeerd, of legen de kusten
verbrijzeld worden.
Stroomingen,
De stroomingen der zee zijn die bewegingen derzelve ^
welke, in eene zekere bepaalde rigting, regelmatig plaats
hebben. Zij zijn deels algemeene, deels bijzondere, en de
laatste wederom bestendige ol" onbestendige. Onder de al-
gemeene is de aequinoctiaalstrooming, of die van de even-
achtslijn , de aanmerkelijkste, welke, in eene westelijke rig-
ting , onafgebroken in de heete zone plaats grijpt, en deels
door de omwenteling der aarde om hare as, deels door de
passaatwinden veroorzaakt wordt. Dezelve gaat in den At-
lantisehen oceaan van de westkusten van Afrika naar den
oostkant van Amerika, waar zij , door het vast land terug
geworpen , zich in eenen zuidelijken en in eenen noordelijken
arm verdeelt, welke laatste, onder den naam van den golf-
stroom , langs de oostkust van Noord-Amerika heen trekt,
dan zich naar Europa terug wendt, en zich met eene zuid-
waartsche buiging weder aan het begin der strooming «an-
filuit. De zuidelijke arm gaat in eene tegenovergestelde