Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
:33
zeeën haren naam gekregen. — De klenr van hel zeewa-
ter verandert ook naar de gesteldheid van den hemel. Zoo
schijnt de zee, die van natuur geelachtig of bleekgroen is,
bij eenen bewolkten hemel troebel en graauw, terwijl zij
dikwijls van het zuiverste blaauw in het volledigste groen
overgaat. Naderende stormen worden verraden door een ei-
genaardig graauw der golven , en gevaarlijke ondiepten ge-
ven zich door een bijzonder grijsgroen te kennen. Zelfs
bij eencn helderen hemel verandert de kleur van het zee-
water soms, zonder de geringste verandering in den damp-
kring. De zeeën in de heete zone zijn hoogcr en zuiverder
blaauw , dan in de noordelijke. De helderheid van het zee-
water is ten deele zeer groot. In de Karaïbisehe zee kan
men de schildpadden zien in eene diepte van 90, en in de
roede zee de koralen in eene diepte van 120 voeten.
§ 37.
Smaak van het zeewater.
De smaak van het zeewater is zoutachtig bitter, en daar-
door is hetzelve tot drinken en koken onbruikbaar. Men
heeft zich veel moeite gegeven het drinkbaar te maken ,
doch tot dus verre geen middel gevonden, om den zeevaren -
den eenen genoegzamen voorraad drinkbaar zeewater te ver-
schaffen. De oorzaak van de zoutheid des zeewaters moet
men niet zoeken in de zoutbronnen, die hier en daar op den
bodem der zee mogen gevonden worden, maar in de wijze
van deszelfs onstaan bij de vorming der aarde. De bitter-
heid werd door de natuuronderzoekers aangetoond een ge-
volg te zijn van de bitteraarde, de zoutheid van de bestand-
deelen zout, welke het zeewater v.an nature bevat. Deze
gehalte van zout is zeer onderscheiden in de onderscheidene
streken. In de heete zone is dezelve het sterkste, en neemt,
naar de polen toe, allengskens af, terwijl zij in eene matige
diepte niet veel grooter is, dan aan de oppervlakte, doch
gemeenlijk op de verst van het land verwijderde en diepste
plaatsen het grootst. Binnenzeeën zijn grootendeels zout-
rijkcr, dan de opene oceaan. Door aanhoudenden sterken