Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
§
De kanten der zee,
ïn alle streken der aarde beeft de zee insneden in het land
gemaakt, welke, naar hare toenemende grootte of diepte ,
bogfen , baaijen , zeeboezems of golven heeten. Eene haven
is eene door de natuur of de kunst gemakkelijk en veilig in-
gerigte landingplaats voor de schepen. Wanneer het water
der zee tusschen twee landen doordringt en zoo twee, door
dezelve anderzins gescheidene zeeën verbindt, ontstaan stra-
ten , zeeëngten, zonden of kanalen (Bospori). Zeeën, wel-
ke zeer diep in het laud inspoelen, en of slechts door eene
enge opeuing (straat) met de wereldzee verbonden , of door
eene rij eilanden van dezelve gescheiden zijn , worden ge-
woonlijk middelzeeën , middellandsche zeeën of binnenzeeën
genoemd.
§ u.
Diepte der zen.
De diepte der zee is zeer verschillende, en staat, in de
nabijheid der kusten , gewoonlijk in verband met de gesteld-
heid der oevers. Zijn deze hoog en steil, dan is de zee, in
derzelver nabijheid , gewoonlijk diep; zijn ze laag en vlak ,
dan is de zee ondiep , en verdiept zich vervolgens eerst al-
lengskens. Dikwijls kan men digt aan de steilste rotsen, in
de zee, in het geheel geenen grond vinden. Deze overeen-
stemming geeft aanleiding tot bet vermoeden, dat de diepste
plaatsen der zee de hoogste bergen van het land niet over-
trefïen, en dat derhalve de grootste diepte derzelve omtrnt
eene mijl bedraagt.
De zee is dus waarschijnlijk in vele zuidelijke oorden over de 10,000
voeten diep. Tot het meten der diepte gebruikt men het peillood,
dal is, een' cilinder van lood, van c. 50 ponden zwaarte, welke de
gedaante van een zuikerbrood heeft, en aan een touw in de diepte
nedorgclalen wordt. Hel reikt echter niet aanmerkelijk veel verder
dan 6000 v. Plaatsen, waar men met het peillood geen grond vinden,
het niet afgronden kan , worden bodem- of grondeloos genoemd. —
Scorcsby vond de zee aan de Groenlandsche kusten 1800 v. diep;