Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
Het verdient opgemerkt te worden, dat de menigvuldigheid
en hevigheid der brakingen dikwijls in eene omgekeerde rede
staan tot de grootte der vulkanen , daar soms de kleinste en
schijnbaar onbeduidendste vulkanen meermalen en in grootere
massa stolFen uitwerpen, dan die, welke hen in omvang het
meest overtreffen.
III.
Fan het Water.
A. Fan de Zee.
1". Algemeene verhouding van het hek-
ken der see.
§ 31.
Uitgebreidheid.
Door de Zee verstaan wij de groote, te zamen hangende
massa water, welke verre het grootste gedeelte, dat is, bij-
na van de oppervlakte der aarde bedekt. De zee beslaat
namelijk meer dan 6Vi mill, vierk. mijlen. Deze groote uit-
gebreidheid der zee sehijnt noodig te zijn tot onderhouding
der stroomen en rivieren, en mede te dienen, om de lueht
zuiver te houden. Onophoudelijk toch verheffen zich dampen
uit de zee omhoog, welke den dampkring vervullen, als
wolken over het land gedreven worden, en als regen neder-
vallen ; terwijl de zee daarentegen onophoudelijk eene me-
nigte schadelijke dampen uit de lucht inzuigt, welke zich
anders zouden ophoopen en het leven op aarde onmogelijk
maken. Vroeger schijnt de zee een nog veel grooter deel
van de oppervlakte der aarde bedekt te hebben.
§ 32.
Bodem der zee.
De bodem der zee is van eene gelijksoortige gesteldheid,