Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
§ 23.
Temperatuur, sneeawlinie , bedekking.
Doch niet alleen op deze wijze maken de grootere geberg-
ten eene zeer verschillende vertooning, maar zij vereenigen
ook , naar mate hunner onderscheidene hoogte, binnen eene
slechts geringe ruimte , de verschijnselen van bijna allo he-
melstreken. Zoo als wij later meer bijzonder zien zullen,
vermindert de warmte der lucht niet slechts met de toene-
mende verwijdering van den evenaar naar de polen, maar
ook met de toenemende hoogte, zoodat boven iedere plaats
der aarde in den dampkring een punt gevonden wordt, bo-
ven hetwelk de zonnestralen , zelfs midden in den zomer,
niet meer de kracht hebben, sneeuw en ijs te doen smelten.
Dit punt moet natuurlijk onder den evenaar het hoogst lig-
gen , en, met de toen«mende breedte, naar do polen toe
dalen , tot dat het eindelijk met de oppervlakte der aarde
zelve te zamen valt. Eene door deze punten getrokkene,
denkbeeldige lijn heet de sneeuwlinie of sneeuwgrens. Hare
hoogte bedraagt onder den evenaar, of
onder 0° B. — 14,700, onder 45° B. — 8,500,
» 10° . — 14,400, . 50° « — 6,600 ,
D 20° . — 13,800, . 60° . — 5,600,
» 30° . — 12,000, t. 70° . — 3,300,
n 40" , — 0.900, . 75°. — 0 '
Verheffen zich nu de kruinen van een gebergte boven deze
sneeuwgrens, dan zijn zij met eeuwigdurende sneeuw cn ijs
bedekt, welker verstijvende koude, ook in de naast onder
hen gelegene oorden, den wasdom verstikt, zoodat slechts
mos en klimop den bodem spaarzaam bedekken. De gcsmol-
tene en weder bevrozene sneeuw doet, in de hooge dalen,
de uitgestrekte ijsvelden en ijsbergen ontstaan, welke laatste
men in het bijzonder gletschers noemt. Niet zelden storten
zich groote massa'.s sneeuw van de hoogte in de diepte neder,
welke lawinen genoemd worden, en door haren val soms
de grootste verwoestingen aanrigten. Verder naar beneden
worden de bergen gewoonlijk boschachtig, op meerdere hoog-