Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
ring, of het middelgebergte, bestaat uit lioogere bergen
met steilere afhellingen, op welke de boomen reeds al-
lengskens ontaarden, verkreupelen en verdwijnen. Binnen
en verre boven dezen tweeden ring eindelijk verheft zich
het hooggebergte met zijne kale en rotsachtige kruinen met
steile, soms ontoegankelijke afhellingen , en diepe , schrik-
verwekkende afgronden ; op hetzelve groeit niets meer, dan
mos en klimop, terwijl de hoogste punten gewoonlijk met
sneeuw en ijs bedekt zijn.
§ 22.
Bijsondere gestalte der enkele bergen.
De oorspronkelijke gestalte der bergen, welke zij bij hun
ontstaan hadden , kennen wij niet. De stroomende wateren
en de dampkring, met hunne vernielende en verterende
krachten, oefenen zonder ophouden eenen verwoestenden in-
vloed op dezelve uit, maken ze lager , en vormen ze uit-
wendig om, terwijl inwendig de krachten van vuur, lucht
en water zieden en gisten, waardoor zich soms geheele ber-
gen verheffen, die echter gewoonlijk, te zeer opgezwollen ,
breken en weder instorten. Ook de gestalte van de bijzon-
dere bestanddeeien dier bergen heeft invloed op derzelver
uiterlijke gedaante.
In de hoogere gebergten vindt men in het bijzonder steile
en spitse bergvormen, gelijk zulks reeds derzelver benamin-
gen aanduiden, zoo als die van graten , hoornen , naalden ,
tanden , pieken, enz. In andere gebergten heeft men vele
afgeplatte kegels , in Duitschland Kuppen genoemd ; in andere
vindt men weder vele platachtige halve kogels. Tot de eerste
soort behooren b. v. de Wetterhorn, Aiguille de Goûté,
Dent du midi, en vele andere in de Alpen, de Pic Nethou
in de Pyreneën , de Piek van Tenerifle, enz. , tot de tweede,
onder anderen , ook de Puys , iq, het midden van Frankrijk
gelegen ; tot de derde soort b. v. de Sneeuwkop in Silezie,
de Puy de Dôme in de Cevennen ; de Ballon of Bolchc van
Sulz in de Vogesen , de Belchen in het Schwarzwald , enz.