Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
geweld gescheurde spleten schijnen , kloven of afgronden, ei^
wanneer zij het gebergte van de eene tot de andere zijde
doorsnijden , bergpassen genoemd.
§ 20.
Hooglanden, tafellanden.
Men vindt ook wel eene menigte bergen zoo digt te zamen
gedrongen, dat tusschen dezelve in geene eigenlijke dalen
plaats hebben, en op die wijze onafgebrokene en wijduitge-
strekte verheffingen der aardkorst, boven de naburige lagere
landen, gevormd worden, welke, in tegenstelling van deze,
hooglanden (plateaux) heeten. Dikwijls dienen dezelve aan
de eigenlijke gebergten wederom tot basis, of hunne omgren-
zing wordt ten minste door bergen gevormd ; somtijds echter
is hunne oppervlakte zonder aanmerkelijke verhevenheden ,
en dan worden dezelve in het bijzonder bergvlakten of tafel-
landen genoemd. — Naar hunne onderscheidene hoogte, bo-
ven dc oppervlakte der zee, verdeelt men ze in hoogl-anden
van de eerste klasse , wanneer zij zich boven de -4000 v. ver-
hefTen, en in hooglanden van de tweede klasse, wanneer zij
beneden deze hoogte blijven. De overgang van de hooglan-
den tot de nederlanden is zelden plotseling en steil, maar
heeft gewoonlijk door raiddei van berglanden plaats , welke
zich trapswijze , of als terrassen , verdiepen , en deswege ter-
raslanden g.enoemd worden.
§ 21.
Voorgebergten , middelgebergten , hooggebergten.
De grootere gebergten zijn gewoonlijk van eene zoodanige
gesteldheid, dat men in dezelve drie bijzondere deelen kan
onderscheiden, in hoogte, gestalte en geaardheid onderling
zeer verschillende , die elkander als in een' kring omringen,
en welke zich bij opklimming, het eene boven het andere,
verheffen. De buitenste ring, welke de laagste is, be.s^aat
uit heuvels en matige, zich langzaam verheffende bergen,
meestal met vruchtbare aarde bedekt; dit gedeelte noemt men
het voorgebergte. De tweede, binnen den vorigen gelegen