Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
vroeger de Chimborasso, in de Cordilleras de los Andes, be-
schouwd, =1 e. 20,000 v. Volgens de laatste ontdekkingen
is echter de Dhawalagiri, in het Hinielaijagebergte, geble-
ken de hoogste te zijn, = c. 26,300 v., en wordt zelfs in
Amerika de Nevado di Sorata , = 23,000 v., in Peru, voor
de hoogste berg der Anden en van geheel Amerika gehouden.
§ 18.
Bergketen , gebergte , centraal gebergte , enz.
Vele bergen loopen in eene aaneengeschakelde rij, soms
honderden mijlen ver, voort, hoedanige rij eene bergketen
genoemd wordt. Derzelver hoogste punten vormen den rug,
den kam , of het hoofdjuk , van welke zich dikwijls lagere
takken, als nevenstralen, ter zijde uitbreiden. Andere lig-
gen in eene massa te zamen, van welke gewoonlijk een de
overige beheerscht; eene zoodanige verzameling wordt, in
het bijzonder, een gebergte genoemd , en, wanneer zich uit
hetzelve takken in onderscheidene rigtingen verspreiden, een
centraalgebergte.
Het onderste deel van eenen berg, van een gebergte of
van eene bergketen noemt men den voet; het bovenste, den
top of de kruin ; de min of meer steile zijden, tusschen de
kruin en den voet, de helling of gïooijing.
Merkwaardige bergketens zijn b. v. de Pyreneen , die, bij eene breedte
van slechts 15 mijlen , c. 60 mijl. in dezelfde rigting voortloopen , cn
de Anden , welke , insgelijks bij eene breedte van slechts 15 mijlen,
vele honderden mijl. ver, in eene voortdurende schakel , zich uitbrei-
den. Centraalgebergten zijn b. v. de Alpen , dc Cevennen , enz.

§ 19.
Dalen, valleijen, bergengten, enz.
Tusschen de bergrijen in vallen noodwendig diepten, de
natuurlijke naburen der bergen , welke dalen of valleijen ge-
genocmd worden, en dikwijls door schoonheid en vrucht-
baarheid ware paradijzen zijn. Wanneer dezelve echter zeer
diep cn smal zijn, worden ly bergengten, wanneer zij met