Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
tijnen genoemd. Zij vervallen de lucht dikwijls met zeer
fijne zanddeeltjes, welke door sterke windvlagen somtijds
weg gedreven, en op naburige streken nedergestrooid wor-
den (stuifzand). — De bodem dezer zandwoestijnen bevat ge-
woonlijk ook vele zoutdeelen , en menige derzelve zijn met
steenzoutlagen omgeven, van waar zich in zulke streken niet
zelden zeer rijke zoutmeren bevinden.
Wanneer in de woestynen het zand , bij eenen hevigen wervelwind ,
in den vorm van eenen omgekeerden trechter in de hoogte stijgt , dan
noemt men een zoodanig verschgnsel eene zandhoos.
§ U.
Oasen.
Doch ook in deze kale, onvruchtbare woestijnen komen
tusschenbeiden, op de wijze van eilanden in den wijden oce-
aan , groene , bewoonbare, meestal met water en eenigen
wasdom voorziene plaatsen voor, welke gewoonlijk Oasen
genoemd worden. Wanneer meerdere zalke oasen nabij el-
kander gevonden worden, dan liggen dezelve, bijna altijd,
in eene rij , waaruit blijkt, dat zij oorspronkelijk schakels /
van afgebrokene bergketenen zijn, welke overigens onder
het zand schijnen bedolven te wezen. ^
In de granietschachten dezer bergen verzamelt zich op lage plaatsen
het water, hetwelk gewoonlijk in dc nabijheid van klipsteencn te voor-
schijn komt.
§ 15.
Steppen, savannen.
Minder onvruchtbaar, dan de zandwoestijnen, zijn de zoo-
genaamde steppen of savannen (in Amerika, waar ze voor-
namelijk gevonden worden , Llanos genoemd), zijnde uitge-
ef breide vlakten, wel zonder houtgewiis en ongeschikt voor
den landbouw, doch met vier of vijf voet hoog gras bedekt
en dikwijls aanzienlijke meren bevattende, en deswege niet
geheel onbruikbaar voor de rondzwervende herdervolken,
beter althans nog, dan die opene, meestal eenigzins hoog