Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
De grootste dusdanige vlakten vindt men io Siberie en in Zuid-
en Noord-Amerika , en, in hel bijzonder in Europa , de reeds genoem-
de vlakte van Zuid-Rusland. Tot dezelve behoort ook grootendeeU ons
vaderland.
§ 10.
Binnenlandsche vlakten.
Van deze vlakten verschillen zeer die, welke, door berg-
ketenen van de zee afgescheiden, aanmerkelijk hooger , en
somtijds zelfs zeer hoog liggen, en vroeger de bodems van
uitgestrekte, later droog geworden meren schijnen geweest
te zijn.
binding.
Slechts door rivieren staan zij met de zee in ver-
De aanzienlijkste vlakten van deze soort zijn , in Europa , de Rijn-
vlakte tusschen Bazel en Bingen , de verschillende Donauvlakten , van
welke de benedenste, de Hongaarsche , bijna 300 , en de bovenste ,
die van München, omtrent 1500 voeten boven de oppervlakte der zee
gelegen zijn.
Van de eigenlijke vlakten onderscheide men wel de zoogenaamde ta-
fellanden , zijnde vlakten van 2000 lot 8000 voeten hoog , zoo als in
Spanje , enz. gevonden worden. Op dezelve verheffen zich veelal we-
der bergen , b. v. de Chimborasso op het hoogland van Quito, en de
Ararat op dat van Armenie. Dezelve zijn niet door bergen omgeven ,
en kunnen dus ook niet hel voorkomen van droog geworden meer-
gronden hebben.
§ 11-
Bestanddeelen van den bodem der vruchtbare vlakten.
Deze beide soorten van vlakten zijn, meestal met eene
vruchtbare korst bedekt, in onderscheidene mate geschikt
tot den aanbouw der meest verschillende soorten van gewas-
sen. Derzelver bodem bestaat dan meer uit een vet slib, dan
meer uit zanddeelen, dan wederom uit klei, voortjjebragt
door de nederplolfing van aard- en zoutdeelen, dan eindelijk
uit tuinaarden of zoogenaamde humus, zijnde een mengsel
van vergane planten en dieren en menige andere aardsoort.
Men vindt deze vlakten hier met granen , daar met welig