Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
bewegen. Boven alles echter trekt onze aandacht tot zich de
mensch, de heer der aarde, ter wiens dienste deze met al
wat er op is , geschapen schijnt, doch die tevens, als zoon der
aarde, mode als een wezenlijk bestanddeel derzelve moet
beschouwd worden. — Wij zullen thans deze onderscheiden
voorwerpen elk in het bijzonder behandelen.
II.
Van het Imul.
§ 5.
Natuurlijke verdeeling in vastland en eilanden.
Het land, of de vaste stof, welke zich boven het water
verheft, is niet slechts zeer onregelmatig van gedaante, maar
ook over de geheele oppervlakte der aarde , in grootere en
kleinere massa's, zeer onregelmatig verdeeld. Volgens het
algemeen aangenomen gebruik worden de grootere, meestal
zeer uitgebreide streken, vastland, de kleinere daarente-
gea , die, romdom met water omgeven, in ontelbare menigte
cn zeer onregelmatig, voornamelijk in de zee of den oceaan
verstrooid liggen, eilanden genoemd.
§ 6.
Van de eilanden in het bijzonder.
De eilanden , welke veelal in groepen (archipels) te zamen
liggen , zijn deels laag en vlak, deels hoog en met verhef-
fingen. Wanneer ze groot zijn , dan geldt van hen hetzelfde
als van het vastland. — Vooral omtrent die, welke onder-
scheidene verheffingen hebben , is het de vraag, of zij sporen
van vulkanische werkingen verioonen, als wanneer men
met vertrouwen mag aaiinemen, dat dezelve niet tot dio
oorspronkelijk vaste deelen der aarde behooren , welke te-
genstand geboden hebben aan de vloeden des waters, en , bij
den zoo even vermelden grooten watervloed, in de zee zijn
blijven staan , maar dat zij eerst later ontstaan zijn uit een'
boven de zee opgestegen vulkaan of vuurspuwenden berg.