Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
§ 2.
Vroegere toestand der aarde, en veranderingen ^ welke de-
zelve ondergaan heeft»
Hoe de aarde hare tegenwoordige gestalte verkregen heeft,
vermogen wij ook slechts uit hare gesteldheid van heden te
vermoeden. Zeker is het echter, datdeaarde, voordat hare
oppervlakte de gedaante, welke zij thans heeft, bekwam, ten
minste drie groote veranderingen of aardomwentelingen heeft
ondergaan , in het bijzonder door de kracht van vuur cn water ,
welke ook thans nog in sommige streken werkzaam zijn , door
vulkanen, aardbevingen, weg- en aanspoeling van land, enz.
Een algemeene groote watervloed schijnt het laatst de aarde
getrofTen , en van het zuiden naar het noorden toe gewerkt
te hebben , van waar de geringe massa land op het zuidelijk
halfrond, welke slechts een vierde gedeelte van het gezamen-
lijke vaste land der aarde uitma/ïkt, de spitse gedaante der
zuidelijke landen, welker hechte, rotsachtige voorgebergten
aan het opstuivende water tegenstand geboden hebben , en de
groote menigte eilanden in de zuidelijke zeeën , welke als
overblijfselen van het voormalige land schijnen staan gebleven
te zijn. Vroeger hadden namelijk de Steffen, eerst door wa-
ter, vuur, drïmpen cn andere natuurkrachten opgelosi en in
beweging gebragt, zich vervolgens reeds weder naar zekere
wetten vastgezet, onderaardseh vuur vooral hier en daar lan-
den en bergen omhoog geheven, en elders wederom doen ne-
derploffen , rotsen gekloofd , laten verzinken , of bare brokken
voortgeslingerd , enz. ; terwijl het water zich in de diepten
verzamelde, en de beddingen der zeeën vulde.
Bij de verjichillende omwenlelin^jen , welke de aarde Ie voren onder-
gaan heeft, worden de levende schepselen, mei welke de aarde te dien
tijde bedekt was , telkens vernield , de orde der dingen veranderde en
eene nieuwe bewerktuiging (organisatie) ontstond , gelijksoortig j doch
niet geheel overeenkomstig met de vroegere, die ondergegaa-n was. De
omstandigheden schijnen aan te loonen,dal de mensch van geene dezer
omweiitolingen getuige is geweest , maar dat hij eerst na de laatste on-
der de bewoners der aarde kan geleld worden. Iedere organische we-
k;:
l'i-ii